De Preventie van de Oprichting van de Islamitische Staat

In het kielzog van de Eerste Wereld Oorlog bezetten de geallieerden al de landen van de Islamitische Staat. Hun hoofddoel was de staat voorgoed te vernietigen en vervolgens te verzekeren dat het nooit meer zou herrijzen. Toen ze de Islamitische Staat eenmaal vernietigd hadden, gingen ze over tot het verzekeren dat de Islamitische Staat in geen van haar landen weer wederopgericht zou kunnen worden. Ze ontwierpen verschillende plannen en gebruikten verschillende methoden om er voor te zorgen dat de Islamitische Staat nooit meer tot bestaan zou komen en nog steeds werken ze met dit doel voor ogen. Een zorgvuldig ontworpen plan volgend, zetten de ongelovige koloniale machten zich in om hun grip op de moslimlanden te versterken, vanaf de eerste dag dat ze de Islamitische wereld bezetten. In 1918 bezetten ze de landen die nog steeds onder het bestuur van de Ottomaanse staat vielen en ze vestigden militair gezag onder hen tot en met 1922. Ze concentreerden hun wurggreep over hen door middel van mandaatkrachtig bestuur of zelf autonomie. Daarna kwam 1924. In dit jaar waren vele stappen genomen door de vijand, vooral Engeland, om elke beweging neer te slaan; al was dit direct of indirect, gericht naar het opleven van de Islamitische Staat. In dat jaar vernietigde Mustafa Kemal het Khilafah systeem in de Ottomaanse Staat dankzij de directe druk van de koloniale ongelovigen en veranderde Turkije in een ‘democratische’ republiek. Hij vernietigde het spookbeeld van de Khilafah en daarmee het laatste spoor van hoop voor de Islamitische Staat om een comeback te realiseren. In dat jaar was al Hoessein ibn ‘Ali verwijderd van Hidjaaz en gevangengenomen in Cyprus omdat hij interesse had voor de post van de Khilafah. In hetzelfde jaar grepen de Britten in, door middel van hun collaborateurs, om veilig te stellen dat de Khilafah conferentie gehouden in Cairo niet door zou gaan en gedoemd was te falen. Weer, in dat zelfde jaar, werkten de Britten hard om de Khilafah beweging gevestigd in India uit te wissen, veilig stellende dat de ambities van de beweging verlaten werden en haar neiging was vervallen tot een nationalistische en sektarische. Nog steeds hetzelfde jaar, met doorgaande druk van de koloniale ongelovigen, was er literatuur door sommigen van de al Azhar geleerden die opriepen voor de scheiding van de dien van de staat claimend dat Islam geen fundamenten voor bestuur of overheid uiteenzet, en het beeld scheppende dat Islam als een theologische (Kahanoety) religie was zonder basis van leringen over het bestuur van de staat, te omvatten. En in hetzelfde jaar en de daaropvolgende sponsorden sommige Soefisten debatten en discussies over twee onderwerpen die onder de aandacht stonden in de Arabische landen: Welke van de twee liga’s zou beter zijn, de Arabische of de Islamitische liga? Kranten en magazines concentreerden hun aandacht op deze kwestie, ondanks het feit dat beide liga’s een beschadigend effect bevatten en dat hun bestaan een obstakel in het gezicht van enig poging om de Islamitische Staat te herstichten weergaf. Desalniettemin lukte het de koloniale ongelovigen dit debat te verwezenlijken om zo de directe aandacht weg te leiden van de echte kwestie, wat de Islamitische Staat was. Deze bewegingen lukte het daarom om de gedachten van de mensen in de moslimlanden te distantiëren van het concept van de Khilafah en de Islamitische Staat. Alvorens hun bezetting begonnen de koloniale machten nationalistische slogans onder de Turkse jeugd te verspreiden, claimend dat Turkije de last op werd gelegd van het runnen van de kwesties van niet Turkse mensen en dat het hoog tijd was dat ze deze mensen overlieten aan hun eigen lot. Politieke partijen werkten ook naar het spreiden van Turkse nationalisme en riepen op tot Turkse onafhankelijkheid van de niet Turkse landen. De ongelovigen verspreidden dezelfde concepten onder de Arabische jeugd en moedigden Arabisch nationalisme aan. Ze beschreven Turkije als zijnde een bezette macht en riepen de Arabieren op om hun zelf te ontdoen van de bezetting van de Turken, en gelijkerwijze waren politieke partijen voor Arabische eenheid en Arabische onafhankelijkheid gevormd. Ze vulden al snel het vacuüm wat eens gezegend was door Islamitische concepten. Als bijgevolg verkregen de Turken hun onafhankelijkheid op basis van nationalisme en de Arabieren begonnen te werken richting het behalen van een autonomie op een nationalistische geografische basis. De concepten van nationalisme en patriottisme waren snel verspreid door de natie en de moslims identificeerden zichzelf met deze concepten. De koloniale machten lieten het niet hierbij, ze gingen verder door het verspreiden van valse concepten over het Islamitisch regeringssysteem en Islam, de Khilafah afschilderend als een pauselijk en priesterlijke heerser. Dit bereikte het punt waar de moslims zich gingen schamen om het woord Khaliefah te noemen, of het concept van Khilafah uit te spreken. In deze tijd rees er een populair concept op onder de moslims dat elke uiting van het woord Khilafah achterlijk was en het starheid benadrukte en dat het niet bij een geleerd persoon geuit moest worden. Het was te midden van dit hoog nationalistische gevoel welke voortstuwende kracht had verzameld binnen de samenleving, dat de ongelovigen de Islamitische Staat uiteen reten. Het verdelend in kleine staatjes, en het aanmoedigen van lokale gemeenschappen om deze divisies te versterken. De Ottomaanse Staat werd verdeeld in verschillende staten, zijnde: Turkije, Egypte, Irak, Syrië, Libanon, Palestina, Oost-Jordanië, Hidjaaz, Najd en Jemen. Politici in deze staten, zowel de medewerkers en diegenen met goede intenties, begonnen in elk land conferenties te houden, hun onafhankelijkheid eisend, de onafhankelijkheid voor het land dat de ongelovigen hadden gesticht tot uitsluiting van andere staten. Op deze basis werd de staat van Turkije gesticht, zoals de staten Irak, Egypte, Syrië, etc. Toen werd een nationaal thuisland voor de Joden gesticht in Palestina, welke vervolgens veranderde in een onafhankelijke entiteit. Het werd gebruikt door de ongelovigen als een politieke hoofdbrug naar de moslimwereld en leidde de aandacht van de moslims weg van de koloniale ongelovigen, de westerse landen zoals Brittannië, de Verenigde Staten en Frankrijk en de samenstelling van één van de obstakels welke in de weg staan voor de terugkeer van de Islamitische Staat. Deze geografische situatie en algemene scène werden beiden ontworpen om te verzekeren dat de moslims nooit in staat zouden zijn om zichzelf te bevrijden. De ongelovigen implementeerden het kapitalistische systeem in de economie en het democratische systeem in de regering. Ze introduceerden ook westerse wetten in hun administratieve en juridische systemen. Ze spreidden hun cultuur en concepten over het leven en probeerden ijverig om hun eigen visie op het leven te vestigen, zodat hun manier van leven het leven werd dat de moslims adopteerden en volgden. Zij waren in feite geslaagd in deze strijd. Zij veranderden Egypte in een Sultanaat, daarna werd er een parlementaire monarchie gevestigd. In Irak werd een parlementair monarchistisch systeem gevestigd. Syrië en Libanon werden republieken en in Oost-Jordanië werd een emiraat gerealiseerd, terwijl Palestina onder verplicht heerschappij gesteld werd welke eindigde in de vestiging van een parlementair democratisch systeem voor de Joden. De rest van Palestina werd aan Oost-Jordanië gevoegd en veranderde in een parlementaire monarchie. In Hidjaaz en Jemen werden er dictatoriale monarchen gevestigd en in Turkije werd er een presidentiele republiek gevormd. Afghanistan werd een erfelijke monarch geplaatst. De koloniale ongelovigen moedigden Iran aan om het imperialistische systeem te behouden, terwijl India een kolonie bleef totdat het uiteindelijk verdeeld werd in twee staten. De koloniale ongelovigen kregen het daarom voor elkaar om hun eigen systeem op de moslimlanden op te leggen en hierdoor nam het concept van de hervestiging van de Islamitische heerschappij af in de gedachten van de mensen. Verder werd elke lokale gemeenschap aangemoedigd om zich te houden aan het systeem dat de ongelovigen hadden bewerkstelligd en zij werkten richting het bereiken van totale onafhankelijkheid van alle andere landen dat deel uit maakte van de moslim wereld. Een Irakees werd dus een buitenlander in Egypte. De heersers van elke staat werden scherper op de bescherming van de kapitalistische democratische systeem, meer dan de oprichters zelf. Zij werden surrogaten, toezicht houdend op het systeem en de constitutie welke de koloniale machten voor hen hadden opgezet en het beschermend. De koloniale ongelovige machten implementeerden westerse wetten rechtstreeks op de moslimlanden. Eerder probeerden zij dezen te implementeren met behulp van hun helpers in de moslimlanden. De ongelovigen begonnen in de eerste helft van de 19e eeuw hun pogingen om de Westerse wetten te introduceren. Zij begonnen de mensen in Egypte aan te moedigen om Franse burgerlijke wetten te adopteren om de Sjari’a wetten te vervangen, waar ze in slaagden en Egypte begon het Franse juridische systeem in 1883 te implementeren. De oud Franse burgerlijke wet werd vertaald en nageleefd, het werd het nieuw geadopteerde systeem in Egypte, de Sjari’a vervangend in de rechtbanken. Een zelfde beweging begon in de Ottomaanse Staat in 1856 met het doel om de Westerse wetten er te introduceren. Deze zet was echter niet zo gemakkelijk als in Egypte omdat de Khilafah zelf in de Ottomaanse Staat zijn wortel had. Echter, door de hardnekkigheid van de ongelovigen en het antwoord van hun helpers slaagden zij in de introductie van het strafrecht en nieuwe niet-Islamitische legale en commerciële wetten door het vaststellen van fatawa welke verklaarden dat deze koefr wetten de Islam niet tegenspraken. Het concept van codificatie schoot wortel en Al Madjalla (Code opgezet in 1868 als een canon voor transacties verzameld van de zwakke opinies van veel madhahib, welke de situatie rechtvaardigden) werd geadopteerd als een wet. Al Madjalla werd gecodificeerd als wet. Het rechtssysteem werd in tweeën verdeeld: 1) een Sjari’a rechtbank, de Sjari’a wetten gebruikend. 2) een burgerlijke rechtbank, bevattend a.) Westerse wetten, gerechtvaardigd door sommige fatawa, verklarend dat deze wetten de Islam niet tegenspraken. b.) Sjari’a wetten welke gecodificeerd werden als een wet in de imitatie van westerse processen. Dit betreffende de wet. Wat de constitutie betreft, werden er zetten gedaan gericht op het ontwerpen van een nieuwe constitutie voor de Staat, de Franse constitutie gebruikend als haar bron, werd gemaakt in verbinding met de beweging voor nieuwe codificatie. Deze bewegingen waren bijna succesvol in 1878, behalve door de hevige weerstand van de moslims die opstonden tegen hen en hen stopte in hun wegen. Echter, de hardnekkigheid van de koloniale ongelovigen gekoppeld met het succes van hun collaborateurs en degenen die waren verleid door hun cultuur, lukte het de beweging een constitutie op te stellen om weer te herrijzen en deze keer slaagde het in zijn taak. De constitutie werd in praktijk gebracht in 1908 met zijn adoptie en implementatie van de nieuwe wetgeving. Alle moslimlanden behalve het Arabisch Schiereiland en Afghanistan werden direct bestuurd door de Westerse wetten . Dus de Sjari’a wetten werden verlaten en dit betekende dat het bestuur van koefr was geforceerd en het bestuur van Islam verwijderd. Wat het bestuur van koefr hielp zijn grip over de moslims te versterken was het feit dat de kolonialisten hun strategie gebaseerd hadden op het veranderen van het educatieve beleid van de Islamitische Staat. Ze ontwierpen een nieuwe educatief programma voor de moslims. Het doel van dit curriculum was om individuen te produceren met een westerse persoonlijkheid, d.w.z., iemand met een kapitalistische/seculiere visie in het afhandelen van kwesties in het leven. Deze programma’s, inclusief degenen in Islamitische universiteiten, zijn nog steeds vandaag de dag beïnvloed in al de landen van de moslimwereld. Als een resultaat hebben we vele leraren die de veiligheid van deze programma’s verzekeren. Ze hebben invloedrijke posten aangenomen, de wensen van de ongelovigen uitvoerend. Het educatieve beleid was gevestigd op twee principes. Het eerste principe was het scheiden van de dien en de wereldse kwesties van het leven, wat natuurlijk zou leiden tot de scheiding van de dien van de staat. Deze maatregel was ook ontworpen om te verzekeren dat jonge moslims zich af zouden houden van de wederoprichting van de Islamitische Staat omdat het de basis waar hun educatie op gebaseerd is tegen zou spreken. Het tweede principe was het maken van de persoonlijkheid van de koloniale ongelovigen als voornaamste bron van wedijver voor jonge moslims. Dit zou op gemakkelijk wijze hun gedachten klaarmaken om doordrenkt te worden met zijn cultuur en informatie. Een dergelijke stap hield in het geven van respect aan de kaafir. Het hield in hem te verheerlijken en een poging bevriend met hem te zijn en met hem te wedijveren, ongeacht het feit dat hij een koloniale ongelovige was. Het hield ook in verachting en minachting te houden voor de moslims zodat hij van hem werd afgehouden. De gevoelens van afgunst speelden jegens hem dus voorkwam iedereen iets van hem te nemen of te leren en op een natuurlijke wijze gedwongen werd de wederoprichting van de Islamitische Staat te bevechten. De kolonialisten voelden dat de schoolsyllabus, wat ze ontworpen hadden en zorgvuldig in de gaten hielden, niet genoeg was. Ze gingen verder door het oprichten van missionaristische scholen gebaseerd op hun koloniale principes. Daarbij kregen culturele centra de opdracht van het spreiden van misgeleide politieke oriëntaties. Als gevolg leidde de intellectuele atmosfeer in deze verschillende ‘leer’ centra ertoe dat de oemmah werd gevoed met de cultuur die haar wegleidde van het denken over de wederoprichting van de Islamitische Staat en voorkwam haar van het werken richting dit doel. Het scheiden van de dien en de handelingen in het leven werd een wijdverspreid concept onder de intellectuelen. Voor de rest van de samenleving was het geopenbaard als het scheiden van de dien van politiek, of het ordenen van de dagelijkse handelingen en zaken. Als resultaat claimden sommigen van de intellectuelen dat de oorzaak achter de achteruitgang van de moslims lag aan de gehechtheid van de moslims aan hun dien en ze claimden dat de enige weg voor hun wederopleving door middel van nationalisme zou moeten zijn. Anderen claimden dat de oorzaak achter de achteruitgang van de moslims de afwezigheid van moraal was. Op basis van het eerste, werden nationalistische politieke partijen opgericht claimende dat ze een Islamitische basis bevatte. Dit was louter een kolonialistische zet. Wat betreft het tweede werden er verschillende groeperingen gevormd op basis van moraal, preken en spirituele leiding. Dezen begonnen te werken richting morele perfectie van het individu en bemoeiden zich niet met politiek. Het was de aanwezigheid van deze partijen en organisaties die een effectief obstakel bewezen te zijn voor de inspanningen die gedaan werden om de Islamitische Staat te herstichten. Ze verleidden de gedachten van de moslims. Als gevolg waren deze partijen ook gesticht op een koloniale basis die Islam weersprak, en vanwege dit voorkwamen ze, onbewust, de wederoprichting van de Islamitische Staat. Om de nieuw geadopteerde politieke programma’s te bewaken waren er nieuwe wetten ontworpen. Sommige wetten waren verheven tot wet om de vestiging van de Islamitische politieke partijen en bewegingen uit te sluiten. Er waren wetten die bepaalde clausules bevatten wat een democratisch systeem op de politieke partijen en bewegingen oplegde, en specifiek dat ze hun lidmaatschap niet zouden beperken tot een bepaalde sekte. Dit betekende dat het stichten van Islamitische groeperingen of partijen in moslimlanden tegen de wet zou zijn, dit, om te voorkomen dat de Islamitische Staat herboren zou worden. moslims hadden geen recht om enige partij of beweging op te richten behalve liefdadigheidsorganisaties of andere gelijksoortige organisaties. Ze werden beperkt zich te bemoeien in politiek werk op basis van Islam. Sommige van de wetten die waren geïntroduceerd beschouwden het oprichten van Islamitische politieke partijen als een serieuze misdaad welke een vergelding verdiende. De politieke programma’s propageerden in de moslimwereld met de hulp van de geadopteerde wetten, dezen waren derhalve, gefocused op het voorkomen van de wederoprichting van de Islamitische Staat. Schrijvers en sprekers waren ook aangemoedigd de Islamitische Staat te presenteren als een dreiging. Ze promootten het concept dat Islam geen regeringssysteem bevatte. Boeken en essays, geschreven door sommige gehuurde moslims, waren gepubliceerd die deze kolonialistische concepten droegen om de moslims op het verkeerde pad te brengen, hen wegleidde van hun dien en van het werken richting de wederoprichting van de Islamitische manier van leven volgens de regels van die dien. Sinds de vernietiging van de Islamitische Staat volhardden de kolonialisten hun aanbod om obstakels in de weg van de wederoprichting van de Islamitische Staat te plaatsen. Ze concentreerden hun inspanningen om hun formatie weer te voorkomen na het eerst te hebben weggevaagd van de aarde. De Nagelate Plicht De structuur van de Islamitische Staat is gebaseerd op zeven pilaren: de Khilafah; de assistenten; de bevelhebber van djihaad; het rechtswezen; de woelaa’; het administratieve systeem; en de madjlis al oemmah. De structuur van de staat is compleet als deze zeven elementen op hun plaats zijn. Als één van deze elementen afwezig is, is de structuur incompleet, hoewel de Staat wel Islamitisch zou blijven. Elk defect of tekortkoming zou haar status niet kunnen omkantelen, zolang de Khaliefah levensvatbaar blijft, omdat hij het fundament van de Staat is. Voor wat de principes van het regeringssysteem in de Islamitische Staat betreft, zijn er vier: 1. De soevereiniteit behoort aan de Sjari’a. 2. De autoriteit behoort aan de oemmah. 3. De benoeming van één Khaliefah. 4. De Khaliefah alleen heeft het recht om Sjari’a regels te adopteren, om ze tot wet te verheffen. Als één van deze principes afwezig zou zijn, zou het systeem niet-Islamitisch worden. Daarom moeten deze vier principes uitgevoerd worden. De basis van de Islamitische Staat is de Khaliefah en iedereen anders dan hem is een afgevaardigde voor hem of een adviseur; de Islamitische Staat is een Khaliefah, welke Islam implementeert en de functie van Khilafah of Imaamah is het hebben van volle beschikking over de zaken van de moslims. Het is niet deel van de doctrines (‘aqaa’id) van Islam, maar deel van de Sjari’a regels, omdat het een deel is van de delen gerelateerd aan de handelingen van een mens. De benoeming van de Khaliefah is een verplichting op de moslims. Zij zijn verboden om meer dan twee nachten te spenderen zonder het geven van de Bai’a aan hem. Als de moslims geen Khaliefah binnen drie dagen hebben gekozen, begaan zij allen een zonde totdat zij een Khaliefah hebben gekozen. De zonde zal niet op hen vallen als zij hun pogingen uitputten om een Khaliefah te benoemen en doorgaan te pogen om hem te benoemen. De verplichting van de benoeming van de Khilafah is bevestigd door de Koran, soenna en de consensus van de Sahabah. Allah (swt) beval de Boodschapper (saw) afdoende om over de moslims te regeren met wat aan hem geopenbaard werd. Allah (swt) zegt: )فَاحْكُمْ بَيْنَهُمْ بِمَا أَنْزَلَ اللَّهُ وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَاءَهُمْ( “Oordeel dus onder hen met wat Allah neer gezonden heeft en volgt niet hun begeerten” (VBK soerah al Maida 5, vers 48) )وَأَنِ احْكُمْ بَيْنَهُمْ بِمَا أَنْزَلَ اللَّهُ وَلَا تَتَّبِعْ أَهْوَاءَهُمْ( “En oordeel onder hen met wat Allah neer gezonden heeft en volg niet hun begeerten” (VBL soerah al Maida 5, vers 49) Elke toespraak tot de Boodschapper (saw) wordt beschouwd als een toespraak tot de gehele oemmah, zolang er geen daliel is dat het bevel aan de Boodschapper (saw) beperkt. En er is niet een dergelijk daliel, daarom zijn de moslims verplicht om deze heerschappij te vestigen. De vestiging van de Khilafah is de vestiging van deze heerschappij. Voor wat de soenna betreft, de Boodschapper van Allah (saw) zei: ((من مات و لم يعرف إمام زمنه مات ميتة جاهلية)) “Hij die dood is gegaan zonder het kennen van de Imam van zijn tijd, is een dood van Djahiliyyah gestorven.” Ahmed en al Tabarani extraheerden het volgende van de Hadieth van Moe’awiyah: De Boodschapper van Allah (saw) zei: ((و من مات و ليس في عنقه بيعة مات ميتة جاهلية)) “Wie sterft zonder dat er een baj’a om zijn nek hangt, sterft een dood van djahiliyyah”. Moeslim verhaalde in zijn Sahieh op gezag van Ibn ‘Oemar, dat hij zei: Ik hoorde de Boodschapper van Allah (saw) zeggen: ((من خلع يدا من طاعة لقي الله يوم القيامة لا حجة له ، و من مات و ليس في عنقه بيعة مات ميتة جاهلية)) “Wie zijn hand van trouw aan Allah afhoudt, zal Hem op de Dag der Wederopstanding ontmoeten zonder het hebben van een bewijs voor hem, en wie dood gaat terwijl er geen Bai’a om zijn nek hing, sterft een dood van Djahiliyyah” (Moeslim). Hisjaam verhaalde op gezag van ‘Oerwa, welke verhaalde op gezag van Aboe Saalih, welke verhaalde op gezag van Aboe Hoerayrah, dat de Boodschapper van Allah (saw) zei: “Leiders zullen de leiding over jullie nemen na mij, waar de vrome zal leiden met zijn vroomheid en de oneerbiedige met zijn oneerbiedigheid, dus luister naar hen en gehoorzaam hen in alles wat met de waarheid in overeenstemming is. Als zij juist handelen is het in jullie voordeel en als zij onjuist handelen wordt het vóór jullie en tegen hem berekend.” Wat betreft de Idjma’ van de Sahabah, zij maakten de benoeming van een Khaliefah als hoogste prioriteit in het licht van het vertrek van de Boodschapper van Allah (saw). Dit volgens wat er verteld is in de twee Sahieh ahadiethain, over de gebeurtenissen in het binnenhof van Banoe Sa’idah en ook in het licht van de dood van elke verdere Khaliefah. Deze algemene consensus van de Sahabah, betreffende de verplichting van de benoeming van een Khaliefah is overgeleverd door middel van een khabar Moetawaatir (ononderbroken overlevering). De Sahabah waren het er over eens dat het de belangrijkste was van alle verplichtingen. Dit wordt beschouwd als een afdoend bewijs. Het is ook bevestigd door middel van Tawaatoer dat de oemmah nooit zonder Khaliefah zou moeten zijn. Het is verplicht op de gehele oemmah om een Khaliefah te kiezen, om hem aan het bewind te zetten of om haar zaken te regelen. Het bevel is bedoeld voor de gehele oemmah. Dit ging in vanaf het moment van zijn (saw) vertrek en zal doorgaan tot de Dag des Oordeels. De omvang van deze verplichting om de Khaliefah weer aan te stellen en het bewustzijn van deze verplichting onder de Sahabah is duidelijk te zien in hun handelingen na de dood van de Boodschapper van Allah (saw). Ze stelden de begrafenis van de Boodschapper van Allah (saw) uit, totdat een Khaliefah de baj’a was gegeven om de staat te leiden. Het is ook duidelijk te zien in de handeling van ‘Oemar ibn al Khattab, in het licht van zijn steekpartij, toen de kwelling van de dood naderde; op het moment dat de moslims hem vroegen om een opvolger te nomineren. Aanvankelijk weigerde hij, toen zij doordrongen nomineerde hij zes kandidaten van welke de Khaliefah gekozen moest worden. Hij stelde tevens een tijdslimiet van drie dagen voor de zes om in overeenstemming te komen. Hij gaf instructies welke luidden dat indien de zes niet binnen drie dagen het met elkaar eens konden worden, degene die zich verzette tegen de beslissing gedood moest worden. Hij beval inderdaad diegene te doden wie zich verzette, ondanks het feit dat de zes allemaal mensen van sjoera en senior Sahabah waren. De zes waren in feite: ‘Ali, ‘Oethmaan, ‘Abd al Rahmaan ibn ‘Auf, al Zoebayr ibn al ‘Awwam, Talhah ibn ‘Oebaydoellah en Sa’d ibn Abi Waqqas. Dat één van deze Sahabah gedood zou kunnen worden als zij het niet met elkaar eens zouden zijn over de benoeming van een Khaliefah, dient als een overweldigend en duidelijk bewijs dat de benoeming van een Khaliefah verplicht is. Bovendien hangen verschillende Sjari’a plichten af van de aanwezigheid van de Khaliefah, zoals de implementatie van de islamitische regels, de uitvoering van het strafrecht, bewaking van de grenzen, het opleiden van de samenleving, training en bewapening van de gewapende machten, afhandeling van disputen en het in standhouden van de wetten en sociale orde, alsmede het letten op andere zaken en de regulering van de economische en sociale transacties welke plaatsvinden tussen individuen en collectieve entiteiten. Dus de benoeming van de Khaliefah is verplicht. Het verlangen naar de functie van Khaliefah en ervoor te wedijveren is niet ongewenst, de Sahabah wedijverden voor de functie van saqiefah en de mensen van sjoera gingen ook voor deze functie. Niemand veroordeelde of verloochende deze actie. Integendeel, de algemene consensus van de Sahabah betreffende de competitie voor de post van Khaliefah is duidelijk gerealiseerd, wat bevestigt dat het wettig en acceptabel is. Moslims zijn verboden om meer dan één Khaliefah te kiezen. Imam Moeslim verhaalde op gezag van Aboe Sa’id al Khoedri, dat de Boodschapper van Allah (saw) zei: ((إﺬا بويع خاليفتين فقتلوا الآخر منهما)) “Als de baj’a genomen is van twee Khoelafa', dood dan de laatste van hen.” (Moeslim) In een andere overlevering werd er verhaald dat hij heeft gezegd: ((و من بايع إمامً فأعطاه صفقة يده ، و ثمرة قلبه فليطعه إنِ استطاع ، فإن جاء آخر ينازعه فضربوا عنق الآخر)) “Wie trouw heeft gezworen aan een Imam, door hem de klem van zijn hand te geven en het fruit van zijn hart, zal hem gehoorzamen zolang als hij kan, en als een andere komt om met hem te wedijveren, slaat zijn nek.” (Moeslim) In een andere vertelling, werden de volgende woorden gebruikt: “…sla hem met het zwaard, wie het ook mag zijn.” Het bevel om een ander te vermoorden zal geldig worden als hij niet gehoorzaamd en zich niet terugtrekt. Als een groep mensen over alle benodigdheden beschikt voor de functie van Khilafah, de baj’a gegeven is, dan zal degene met de meerderheid van de stemmen Khaliefah worden, wie zich tegen de meerderheid verzet zal vervolgens als een rebel beschouwd worden. Dit zou van toepassing zijn als de genomineerden samen verzameld zijn, maar als de Khilafah gebonden is aan één man welke beschikt over de benodigdheden voor de Khilafah en de meerderheid van de moslims geven de baj’a aan een ander, dan moet de eerste man Khaliefah worden en de tweede man afgewezen. De benodigdheden van de Khilafah zijn: Islam, mannelijkheid, vrijheid, competentie, volwassenheid, geestelijk gezond en rechtvaardigheid, d.w.z. de kandidaat zou moslim, man, volwassen, geestelijk in orde, vrij, competent en rechtvaardig moeten zijn. Wat betreft de voorwaarde van het zijn van een moslim, dit is vanwege wat Allah zegt: )وَلَنْ يَجْعَلَ اللَّهُ لِلْكَافِرِينَ عَلَى الْمُؤْمِنِينَ سَبِيلًا( “En nooit zal Allah de ongelovigen het toestaan te heersen over de gelovigen.” (VBK soerah an Nisaa’a 4, vers 141) Wat betreft de voorwaarde dat de Khaliefahh een man zou moeten zijn, dit is afgeleid van de overlevering van de Boodschapper van Allah (saw), die zei: ((لن يفلح قوم ولوا أمرهم امرأة)) “Een natie (oemmah) zal nooit succesvol zijn wanneer een vrouw over hen wordt verkozen (om te regeren)“ (Boechari) De voorwaarden van volwassenheid en geestelijke gezondheid zijn genomen omdat de krankzinnige en de minderjarigen, tutoren en beschermers nodig hebben om voor hen te zorgen. Derhalve, indien iemand zijn eigen kwesties niet eens kan beheersen, is hij duidelijk onkundig om de kwesties van anderen te behandelen. Wat betreft rechtvaardigheid, dit moet worden vervuld omdat de plicht van de Khaliefah het implementeren van de wetten dan de dien is en als hij dezen zich zelf niet eens op kan leggen, dan kan hij ook niet vertrouwd worden dit anderen op te leggen; want iemand kan niet geven wat hij niet bezit. Rechtvaardigheid is een voorwaarde dat de Khaliefah zou moeten vervullen omdat als hij een faasiq was, zou hij niet geschikt zijn als Khilafah en zou dus niet als regent aan kunnen blijven. Betrouwbaarheid is een voorwaarde neergelegd in het contract en moet altijd van toepassing zijn. Wat betreft vrijheid, de slaaf heeft niet de autoriteit voor zichzelf, derhalve zou hem geen autoriteit over anderen gegeven moeten worden. Wat betreft competentie, dit is een benodigdheid omdat het vragen aan een incompetente persoon om dingen te doen die buiten zijn capaciteit vallen onjuist is. Dit leidt tot het ondermijnen van de wetgeving en de rechten van de mensen, wat niet toegestaan is. Dit zijn de voorwaarden voor de post van de Khaliefah, wat betreft de overige voorwaarden die de geleerden hebben genoemd zoals, moedigheid, kennis en het behoren tot de Qoeraisj of een afstammeling van Fatima onder andere, dit zijn niet noodzakelijke voorwaarden voor het contract van de Khilafah en geen van de bewijzen neergelegd, om zulke beweringen te staven, zijn bewezen betrouwbaar te zijn en derhalve kunnen dezen niet beschouwd woorden als voorwaarden. Elke mannelijke moslim, die volwassen, gezond, betrouwbaar, vrij en competent is, is gepast om baj’a te worden gegeven door de andere moslims om hun Khaliefah te worden en geen andere voorwaarden zijn nodig noch behoeven ze uiteengezet te worden. Het wederoprichten van de Islamitische Staat is een plicht op al de moslims omdat dit is bevestigd door de soenna en de algemene consensus van de Sahabah. Het is een plicht op hen om te leven in een Islamitische thuisland en om het Islamitisch burgerschap te bezitten, toch kunnen ze dit niet bereiken behalve wanneer de wederoprichting van de Islamitische Staat een feit is. Dus, de moslims zullen zondig blijven totdat ze beginnen te werken voor de wederoprichting van de Islamitische Staat zodat ze hun baj’a aan een Khaliefah zouden kunnen geven die Islam zou implementeren en haar Boodschap naar de wereld zou uitdragen.
Afdrukken