Het Binnenlandsbeleid van de Islamitische Staat

Het binnenlandsbeleid van de Islamitische Staat is het intern uitvoeren van de Islamitische regels. De Islamitische Staat moet deze regels implementeren in het gebied dat onder haar jurisdictie staat. Het organiseerde en hield toezicht op relaties en handelingen, implementeerde de hoedoed (grenzen), voltrok de bestraffingen, dwong hoog moraal af, verzekerde de uitvoering van de Islamitische rituelen en daden van aanbidding, en zorgde ook voor de zaken van de burgers volgens de regels van Islam. Islam bepaalde de methode wiens regels op de mensen geïmplementeerd zou worden, op degenen die zich overgaven aan haar autoriteit, of het nou moslims of anderen waren. De Islamitische Staat implementeerde de regels van Islam volgens een specifieke methode. Omdat de methode zelf een Hoekm Sjari’i is, evenals de regels betreffende de kwesties. Islam kwam voor alle mensen, want Allah (swt) sprak alle mensen met Islam als mens en niets anders. Allah (swt) zegt: )يَاأَيُّهَا النَّاسُ اعْبُدُوا رَبَّكُمُ الَّذِي خَلَقَكُمْ وَالَّذِينَ مِنْ قَبْلِكُمْ لَعَلَّكُمْ تَتَّقُونَ( “O mensen, aanbidt jullie Heer. Degene Die jullie en degenen vóór jullie heeft geschapen. Hopelijk zullen jullie (Allah) vrezen”. (VBK soerah al Baqarah 2, vers 21) )يَاأَيُّهَا الْإِنْسَانُ مَا غَرَّكَ بِرَبِّكَ الْكَرِيمِ( “O mens, wat heeft jou weggeleid van jouw Heer, de Edele?” (VBK soerah al Infithaar 82, vers 6) De geleerden van oesoel oel fiqh (principes van jurisprudentie) beschouwden de sjari’a als iets dat bedoeld was voor elk mens die in staat is van begrip, of het nou een moslim is of niet. Imam al Ghazali zei in zijn boek al moestafa fiel oesoel: “Voorwaar de heerser moet een verantwoordelijk persoon zijn in een wettelijke capaciteit, de voorwaarde is dat hij gezond en in staat is om de uitspraak van de Wetgever te begrijpen. Hetgeen de persoon kwalificeert om verantwoordelijk te zijn in het naleven van de regels, is zijn menselijke natuur welke hem de mentale capaciteit bied, waarmee hij de eisen van Allah ontvangt en begrijpt.” Daarom zijn alle mensen toegesproken met Islam. Deze toespraak heeft de vorm aangenomen van een oproep en verplichting, de eerste is bedoeld om de mensen uit te nodigen tot de omarming van Islam en de laatste is bedoeld om de mensen te verplichten haar regels aan te nemen. Dit betreft de mensen in het algemeen, wat betreft diegenen over wie de Islamitische Staat regeert, Islam beschouwt de groep waar over het regeert met dit systeem enkel menselijk, ongeacht hun groepering of geslacht, en er wordt niets van hun geëist dan volgzaamheid (en dat is trouw aan de staat en het systeem). Minderheden bestaan niet, omdat alle mensen bekeken worden vanuit het menselijke perspectief en ze zijn burgers van de Islamitische Staat zolang zij hun taken van burgerschap vervullen. Elke persoon die een burgerschap van de Staat geniet, geniet van de volle rechten voor hem verordend door de sjari’a, of hij nou moslim is of niet. Iedereen die niet dit burgerschap in acht neemt geniet deze rechten niet, zelfs als hij een moslim is. Bijvoorbeeld, als een moslim man een Christelijke moeder had die het Islamitische burgerschap genoot en een vader die dat niet deed, dan zou zijn moeder in aanmerking komen voor het ontvangen van onderhoud van hem en zijn vader niet. Als de moeder het van hem zijn claimen, dan zou de rechter in haar voordeel berechten, omdat zij geclassificeerd zou zijn als een burger van de Islamitische Staat, en als de vader het ook zou proberen, dan zou de rechter deze claim verwerpen, omdat hij niet geclassificeerd zou zijn als een van de burgers. Daarom beschouwt de sjari’a diegenen die geregeerd worden door Islam als burgers en maakte burgerschap tot iets wat zij gemeen hadden en welke hen bevoegden om van de rechten van bescherming en welzijn te genieten, verordend door Islam door het leven als burgers in de Islamitische Staat. Dit aangaande hun positie van een heersend en beschermend oogpunt, wat betreft de applicatie van de Islamitische wetten, dit wordt bekeken vanuit een wettelijk en niet vanuit een religieus oogpunt. Dit omdat de sjari’a teksten gezien moeten worden vanuit een wettelijk aspect en de tekst is verordend voor de omgang met problemen. Het doel van de Wetgever voor ons is om de betekenis en de inhoud te volgen en niet te stoppen met de schijnbare betekenis van de tekst. Daarom wordt de ‘illah (reden) achter de heerschappij in beschouwing genomen als men een regel extraheert. Met andere woorden, het is de wettelijke kant van de tekst die in beschouwing wordt genomen als men naar een vonnis kijkt. Dit vonnis, als het door de Khalifah geadopteerd wordt, wordt een wet en iedereen is erdoor verplicht en om het uit te voeren. Daarom is de onderwerping aan de sjari’a van alle mensen die in de Islamitische Staat leven afdoende en onherroepelijk. Voor de moslims is hun geloof en hun omarming van Islam wat hen bind om al haar wetten op te volgen en omdat de onderwerping van het geloof de onderwerping aan alle regels die uit de ‘aqiedah voortvloeien betekent, dus verplicht hun omarming van deze ‘aqiedah hen om te gehoorzamen aan alle wetten die door deze ‘aqiedah gebracht werden. Dus voor de moslims is de sjari’a het wettelijke deel van Islam. Zij zijn gebonden (verplicht) om al haar regels uit te voeren, of deze gerelateerd zijn aan hun relatie met Allah, welke daden van ‘ibaadah (aanbidding) zijn, of deze gerelateerd zijn aan hun relatie met henzelf, zoals hun moralen en dieet, of deze gerelateerd zijn aan hun relatie met anderen, welke gepaard gaan met handelingen en straffen. De moslims zijn verenigd onder de Islamitische ‘aqiedah en het feit dat de Koran en de soennah bronnen zijn van de sjari’a, waar de principes en oordelen uit voortvloeien. Niemand van hen verschilde van mening betreffende deze kwestie, maar wel op het gebied van idjtihaad, en door het feit dat er natuurlijke variaties in begrip waren. Daarom ontstonden er verschillen in het begrip van de ‘aqiedah, de wetgeving en de methodiek van ‘oesoel oel fiqh. De Boodschapper van Allah (saw) moedigde idjtihaad aan en benadrukte dat als de moedjtahid (iemand die bevoegd is om regels te extraheren) idjtihaad zou doen en als hij het fout heeft, zou hij een beloning ontvangen en als hij het goed heeft zou hij een dubbele beloning ontvangen. Daarom was het niet vreemd om de ahl oes-soenna, sji’a, moe’tazilah en andere groeperingen te vinden. Noch was het verassend getuige te zijn van de verschijning van verschillende madhaahib zoals de Sjafi’i, de Hanafi, de Maliki, de Hanbali, de Dja’fari, de Zaydi en anderen. Al deze Islamitische groeperingen en madhaahib omarmden één enkele ‘aqiedah, dat wil zeggen de islamitische ‘aqiedah, ze werden allen bevolen om de verplichtingen te volgen en weg te blijven van hetgeen Allah (swt) verbied. Ze vielen allen onder de verplichting om de sjari’a te gehoorzamen en niet specifiek één madhaahib. De madhaahib is alleen een specifiek begrip van de sjari’a rechtspraak wat geimiteerd wordt door degene die geen moedjitahid is als hij niet in staat is om zelf idjtihaad te verrichten. De moslim is bevolen door het Goddelijk oordeel en niet door de Madhab. Hij neemt de wet door middel van idjtihaad als hij hiertoe in staat is, anders neemt hij het door te volgen of imiteren indien hij niet in staat is idjtihaad te doen. Daarom zijn alle groeperingen en madhaahib die de Islamitische ‘aqiedah omarmen en geloven in de Koran en soennah – als enige bron van de Sjari’a – zijn allen Islamitisch. Hun sprekers zijn allen moslims en de Islamitische wetten worden door hen toegepast. De Staat zou derhalve zich niet in moeten laten met deze groepen noch met de volgers van de verschillende Madhahib zo lang ze niet afwijken van de Islamitische ‘aqiedah, maar als ze toch afwijken van de Islamitische ‘aqiedah, individueel of collectief, zou dit worden beschouwd als een daad van irtidad (afvalligheid) van Islam en de bestraffing van de afvalligen zou op hen worden uitgevoerd. De moslims zijn gebonden aan alle Islamitische wetten. Sommigen van deze wetten zijn definitief met alleen één geldige opinie, zoals het afhakken van de hand van de dief, het verbod op rente, de verplichting van zakaat, de verplichting van de vijf gebeden, etc. Deze wetten die maar één enkele betekenis kennen zijn bindend op alle moslims want ze zijn definitief. Er zijn verschillende regels en ideeën waarover de moslims verschilden, door het feit dat elke moedjtahid een kwestie anders begrijpt dan een ander. Bijvoorbeeld, de voorwaarde van de Khaliefah of het nemen van een tiende van het kharadji land of de huur van land onderling. In dit geval van dergelijke wetten adopteert de Khaliefah een opinie en gehoorzaamheid wordt een verplichting op iedereen. Iedereen die een andere opinie adopteert dan hetgeen geadopteerd door de Khaliefah moet deze opinie verlaten en gehoorzaam zijn aan de opinie van de imaam. Dus de opinie van de imaam beslecht alle verschillen en de gehoorzaamheid aan de imaam is een verplichting op iedereen. De moslims zijn allen verplicht om het bevel van de Khaliefah uit te voeren betreffende de opinies die hij adopteert en zijn opinie is bindend op hen, zowel publiekelijk als privé. Welke persoon een Goddelijk oordeel implementeert anders dan hetgeen geadopteerd door de imaam is zondig. Wanneer de Khaliefah een sjari’a regel verheft tot wet verwordt het tot bindend op alle moslims. De sjari’a wetgeving betreffende een kwestie kan niet veelvoudig zijn voor een persoon. Echter, de Khaliefah zou geen specifieke wet moeten adopteren betreffende kwesties gerelateerd aan de ‘aqiedah want dit zou zorgen voor ontberingen bij de moslims. Maar als innovaties en neigingen gebaseerd op foute ‘aqaa’id verschijnen, zou de Staat de schuldigen verantwoordelijk houden met ferme maatregelen zo lang deze innovaties niet leiden tot ongeloof. Als dit geval wel voorkomt zouden de individuen hieraan schuldig, worden behandeld als afvalligen. De Khaliefah zou ook geen specifieke wet moeten adopteren betreffende kwesties gerelateerd aan aanbidding want dit zou ook leiden tot ontberingen voor de moslims. Daarom zou de Khaliefah geen specifieke meningen in kwesties van ‘aqiedah moeten adopteren zo lang deze Islamitische zijn, en hij zou geen specifieke wet moeten adopteren in kwesties van aanbidding, behalve voor zakaat, zo lang deze handelingen van aanbidding zijn toegestaan door de Goddelijke wetgeving. Buiten dit kan de Khaliefah specifieke wetten adopteren met betrekking tot handelingen, het bereik van koop en verkoop, huren, trouwen, scheiden, onderhoudsgeld, partnerschap in zaken, voogdij, etc. Hij kan ook een specifieke wet adopteren betreffende het strafrecht of betreffende dieet, kleding of morele kwesties, en de moslims zijn verplicht hem te gehoorzamen in wat hij adopteert. Dit is wat de moslims betreft. Voor de niet moslims, dit zijn de mensen die een credo anders dan de Islamitische hebben geaccepteerd, en zij zijn geclassificeerd onder de volgende categorieën: 1) Degenen die claimen moslims te zijn terwijl ze geloven in sommige kwesties van hun credo die de Islamitische ‘aqiedah tegenspreken. 2) De 'mensen van het boek' 3) De Polytheisten, waaronder de madjoes (vuuraanbidders), hindoes, boeddhisten en allen die niet tot de 'mensen van het boek' behoren. Deze mensen zullen met rust worden gelaten en er is geen bemoeienis met hun geloven of aanbidding. Ze zullen worden toegestaan om te luisteren naar hun eigen wetten in kwesties betreffende trouwen en scheiden volgens hun religie. De Staat zal een rechter aanwijzen vanonder hun eigen mensen om hun onenigheden te regelen gebaseerd op hun religie in rechtzalen die behoren tot de Staat. Betreffende hun dieet en kledingversieringen zullen ze worden behandeld volgens hun eigen regels binnen de publieke orde. Mensen buiten de 'mensen van het boek' zullen op dezelfde manier worden behandeld. De Boodschapper van Allah (saw) zei betreffende de madjoes: “Behandel hen op dezelfde manier als je de mensen van het boek behandeld.” Betreffende de moe'amalaat (handelingen ten overstaande derden) en het strafrecht, deze worden geïmplementeerd op zowel moslims als niet-moslims. Strafrechterlijke oordelen zullen op dezelfde manier ten uitvoer worden gebracht op de niet-moslims als op de moslims zonder enig vooroordeel. Degenen die het burgerschap van de Islamitische Staat genieten, zijn verplicht om te gehoorzamen aan de sjari’a gerelateerd aan alle handelingen en straffen, ongeacht hun religie, ras of sekte. Ze moeten zich allen aan de sjari’a houden. Echter, hun trouw aan de wetten is eerder wettelijk van aard dan religieus of spiritueel. Zij zouden daarom niet verplicht gesteld worden om in hen te geloven, want dat zou hen dwingen tot de omarming van Islam; Allah (swt) zegt: )لَا إِكْرَاهَ فِي الدِّينِ( “Er is geen dwang in het geloof” (VBK soerah al Baqara 2, vers 256) De Boodschapper van Allah (saw) verbood de moslims om zich met het geloof van de mensen van het boek te bemoeien of ze te vervolgen, maar zij werden verplicht gesteld om zich te houden aan de Islamitische wetten vanuit een wettelijk oogpunt. Concluderend, het binnenlandse beleid van de Islamitische Staat is het implementeren van de Islamitische sjari’a, op iedereen die de staatsburgerschap geniet, of het nou moslims of niet-moslims waren. De wetten worden als volgt geïmplementeerd: 1) Alle Islamitische wetten zullen op de moslims geïmplementeerd. 2) De niet-moslims worden met rust gelaten aangaande wat zij geloven en aanbidden. 3) De niet-moslims zullen behandeld worden volgens hun geloof in kwesties betreffende het dieet en kledij binnen het algemene raamwerk van de wet. 4) Onenigheden gerelateerd aan huwelijk en scheiding voor niet-moslims, zullen beslecht worden door gekozen rechters onder hen zelf, in rechtbanken die door de Staat worden opgezet en niet in privé rechtbanken; gelijkvormige disputen tussen de moslims zullen beslecht worden volgens de Islamitische wet door moslim rechters. 5) De staat zal alle andere sjari’a zaken gerelateerd aan economische, sociale en wettelijke handelingen op elke moslim burger en niet-moslim hetzelfde behandelen, zonder vooroordeel. 6) Iedereen die het Islamitische burgerschap geniet is een onderdaan van de Staat, hun veiligheid en het ordenen van hun zaken is de plicht van de Staat, zonder enig discriminatie.
Afdrukken