De Slag van Hoenajn

Toen de Hawazin stam had gehoord dat de moslims Mekka hadden bevrijd, vreesden zij dat ze aangevallen zouden worden en hun militaire bases bestormd zouden worden door de moslims. Daarom waren ze van plan om de moslim dreiging tegen te werken en zichzelf voor te bereiden op de strijd. Malik ibn ‘Auf an Nadri verzamelde Hawazin en Thaqif en marcheerde met hen totdat ze de vallei van Awtas bereikten. Het nieuws van de dreigende legers van Hawazin en Thaqif bereikten de moslims, vijftien dagen na de verovering van Mekka en zij bereidden zich voor hen te confronteren. Malik overnachtte niet in de vallei van Awtas. In plaats daarvan ging hij met zijn troepen naar de heuvels van Hoenajn in het meest ontoegankelijke gedeelte van de vallei, waar hij hen nauwkeurig in strategische posities organiseerde. Hij instrueerde zijn mannen om de moslims aan te vallen als zij de vallei zouden binnengaan om zo verwarring onder hen te veroorzaken wat zou leiden tot het breken van hun rangen. Het plan werd zorgvuldig uitgewerkt, terwijl hij daar wachtte op de komst van de moslims. Na een paar dagen verschenen de moslims. De Boodschapper van Allah (saw) had met tweeduizend Mekkanen gemarcheerd en nog een andere duizend mensen van het leger dat Mekka geopend had. Deze formidabele macht marcheerde richting het strijdveld en bereikte Hoenajn in de avond, waar zij tot net voor zonsondergang uitrustten. Toen gingen ze voort richting de vallei gedurende de schemering. De Boodschapper van Allah (saw) was op zijn witte ezel aan het rijden aan de achterkant van het leger toen ze de vallei binnentraden toen de eskadrons van de vijand plotseling aanvielen, op bevel van hun commandant. Zij gooiden speren naar de moslims en te midden van de duisternis waren de moslims overweldigd door hun plotselinge verrassingsaanval. Toen de speren hen van elke kant raakten, vluchtten de moslims in angst, geen aandacht bestedend aan een ander. Zij gingen zonder te stoppen voorbij de Boodschapper van Allah (saw) en gingen massaal door met rennen. Alleen al ‘Abbas en de Boodschapper van Allah (saw) bleven achter op het slagveld. Wat de rest van het leger betreft, zij waren zo goed als verslagen en vluchtten voor hun levens. De Boodschapper van Allah (saw) bleef staan waar hij stond, omringd door een kleine groep van de Ansaar, Moehadjireen en zijn familie en hij riep naar de mensen: “Waar gaan jullie heen, oh mensen?” Maar de mensen waren niet in staat om zijn oproep te horen, zij continueerde het rennen zonder terug te keren, de dood vrezend. Hawazin en Thaqif achtervolgden en vermoordden hen zodra de kans zich voordeed. Op dat moment ervaarde de Boodschapper van Allah (saw) een van de meest kritische situaties van zijn leven. Zijn reactie op deze hopeloze ommekeer van omstandigheden was bijzonder. Terwijl zijn leger vluchtte en zodoende de Sahabah, de nieuwe moslims en hem (saw) in de steek lieten, stond hij daar vastberaden, hen allen roepend om tot hem (saw) terug te keren. Sommigen van hen die recentelijk Islam omarmd hadden, onthulden hun haat op die dag. Zij uitten hun kwaadaardige vreugde over het verlies van de moslims. Kalda ibn Hanbal zei: “Voorzeker tovenarij is ijdel vandaag”. Shayba ibn ‘Oethman ibn Talha zei: “Vandaag zal ik mijn wraak op Moehammad krijgen”. Aboe Soefyan zei: “Hun vlucht zal niet stoppen totdat ze bij de zee komen”. Het vooruitzicht op deze nederlaag onthulde de ware aard en de intenties van degenen die de Islam omarmd hadden gedurende de bevrijding van Mekka en diegenen die kwamen om samen met de Boodschapper van Allah (saw) te strijden. De situatie waarin de Boodschapper van Allah (saw) verkeerde, was zeer somber. In plaats van zich terug te trekken (vanwege de slechte kansen), bleef de Boodschapper van Allah (saw) voortgaan richting de vijand, rijdend op zijn witte ezel. Zijn oom al-‘Abbas ibn ‘Abd al Moettalib (niet te verwarren met Aboe Soefyan ibn Harb Aboe Moe’awiyah), hield de neusband van zijn rijdier vast, om te voorkomen dat het dier verder ging onder de gevaarlijke omstandigheden. Al ‘Abbas schreeuwde luid: “O Ansaar die gastheerden en beschermden, O Moehadjirien die hun eed hebben gegeven onder de boom! Moehammad is in leven, dus kom op”. Al ‘Abbas herhaalde zijn oproep die rondom de vallei weergalmde. De verslagen moslims hoorde hem en herinnerden de Boodschapper van Allah (saw) en hun taak van djihaad. Zij realiseerden zich wat hun nederlaag teweeg zou brengen en wat de consequenties zouden zijn als zij verslagen zouden worden door de polytheïsten. Zij begrepen dat dit het einde van de dien zou betekenen welke zij hadden beëdigd met hun leven te beschermen. Zij beantwoordden de oproep en begonnen zich rondom de Boodschapper van Allah (saw) te verzamelen. Ze zetten de strijd voort met grotere moed totdat hun aantal begon toe te nemen en de strijd heviger werd. Bij deze gebeurtenis werd de Boodschapper van Allah (saw) steeds zekerder totdat hij een handvol stenen pakte en het richting de vijand gooide, zeggende: “Vandaag zijn de gezichten lelijk geworden”. Toen lanceerden de moslims een tegenaanval tegen Hawazin en Thaqif zonder vrees voor eigen leven. Het gevecht dwong de polytheïsten al snel om zich te realiseren dat zij dreigden uitgeroeid te worden en zij konden niets anders doen dan te rennen voor hun leven. Zij vluchtten, hun eigendommen en vrouwen achterlatend, welke de moslims als buit namen. De moslims achtervolgden hen, en namen onderweg veel polytheïsten gevangen. Ze achtervolgden hen zelfs tot verder dan de vallei en doodden velen van hen. Hun bevelhebber, Malik ibn ‘Auf vluchtte naar Ta’if waar hij bescherming zocht. Allah (swt) had de moslims aan een grote overwinning geholpen die dag, en de volgende verzen werden geopenbaard betreffende deze gebeurtenissen: )قَالَ فِيهَا تَحْيَوْنَ وَفِيهَا تَمُوتُونَ وَمِنْهَا تُخْرَجُونَ * يَابَنِي ءَادَمَ قَدْ أَنْزَلْنَا عَلَيْكُمْ لِبَاسًا يُوَارِي سَوْآتِكُمْ وَرِيشًا وَلِبَاسُ التَّقْوَى ذَلِكَ خَيْرٌ ذَلِكَ مِنْ ءَايَاتِ اللَّهِ لَعَلَّهُمْ يَذَّ كَّرُونَ * يَابَنِي ءَادَمَ لَا يَفْتِنَنَّكُمُ الشَّيْطَانُ كَمَا أَخْرَجَ أَبَوَيْكُمْ مِنَ الْجَنَّةِ يَنْزِعُ عَنْهُمَا لِبَاسَهُمَا لِيُرِيَهُمَا سَوْآتِهِمَا إِنَّهُ يَرَاكُمْ هُوَ وَقَبِيلُهُ مِنْ حَيْثُ لَا تَرَوْنَهُمْ إِنَّا جَعَلْنَا الشَّيَاطِينَ أَوْلِيَاءَ لِلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ( “Voorzeker, Allah heeft jullie reeds in vele veldslagen geholpen, en op de dag van Hoenayn, toen jullie grote aantallen (manschappen) jullie trots hadden gemaakt, maar dat baatte jullie niets en de aarde met al haar wijsheid, werd jullie nauw. Daarna wendden jullie vluchtend de rug toe. Vervolgens deed Allah Zijn rust over Zijn Boodschapper en over de gelovigen neerdalen en Hij zond een leger (van Engelen) dat jullie niet zagen, en Hij bestrafte degenen die ongelovig waren. En dat is de vergelding voor de ongelovigen. Vervolgens aanvaardt Allah daarna het berouw van wie Hij wil. En Allah is Vergensgezind, Meest Barmhartig.” (VBK soerah at Tawba 9, vers 25-27) De oorlogsbuit die in handen van de moslims terechtkwam na het verslaan van de vijand, bleek enorm te zijn. Ze taxeerden de oorlogsbuit op een bedrag dat gelijk stond aan 20.000 kamelen, 40.000 schapen en 4.000 zilveren schilden. Veel ongelovigen werden gedood. Een groot aantal ongelovigen, oplopend tot zesduizend, werden gevangen genomen en meegenomen naar Wadi al Dji’rana. De moslim martelaren werden niet geteld, ondanks dat er tevens een groot aantal martelaren gestorven waren. Een aantal van de sierah boeken vertelden dat twee gehele moslim stammen uitgeroeid waren. De Boodschapper van Allah (saw) liet de buit en de gevangenen achter in al Dji’rana en belegerde Ta’if waar Malik ibn ‘Auf zijn toevlucht had genomen na zijn nederlaag. Ta’if behoorde tot de stam van Thaqif. Het was gebouwd als een fort en haar mensen waren experts in de kunst van het belegeren. Zij waren ook extreem rijk en hadden genoeg voorzieningen. De Thaqif waren experts in boogschieten en zij belaagden een groep moslims ermee, toen zij de stad probeerden te overmeesteren om hen te doden. Het bleek heel moeilijk voor de moslims om het fort te bestormen en in plaats daarvan zetten zij hun kamp op buiten het bereik van het geschut, wachtend op wat de Boodschapper van Allah (saw) zou doen. De Boodschapper van Allah (saw) zocht hulp van Banoe Daws om de Ta’if te bombarderen met een katapult, en zij arriveerden vier dagen nadat de belegering begonnen was met hun strijdmachten. Nu vielen de moslims aan met de katapult en zij zonden tanks om vooruit te komen. Hiermee wilde de moslims de stadsmuren benaderen om de muur van Ta’if plat te branden. Terwijl zij tot dichtbij naderden werden ze echter beregend met hete stukken metaal die de tanks verbrandden, de moslims die binnen inzaten, waren gedwongen om te vluchten. Thaqif greep de kans om de terugtrekkende moslims te beregenen met pijlen, met als gevolg dat veel moslims stierven. De moslims faalden om Ta’if direct te bestormen, dus begonnen ze de wijngaarden af te snijden en te verbranden in een poging om de Thaqif te dwingen tot overgave. Dit deden de Thaqif niet en de tijd begon te dringen voor de moslim belegeraars. De heilige maanden begonnen en het was de eerste dag van Dhoel al Qa’da toen de Boodschapper van Allah (saw) samen met de moslims zich terugtrok vanuit Ta’if naar Mekka. Zij stopten in al Dji’rana waar zij hun buit en gevangenen hadden achtergelaten. Door vele andere omstandigheden in deze tijd beloofde de Boodschapper van Allah (saw) om Malik ibn ‘Auf te laten terugkeren naar zijn familie en zijn bezittingen, als hij Islam zou omarmen. Toen Malik ibn ‘Auf dit hoorde, verscheen hij meteen voor de Boodschapper van Allah (saw) en verklaarde aan hem (saw) zijn onderwerping aan de Islam. Het was ongelofelijk, nadat de Boodschapper van Allah (saw) net voor zijn leven tegen Malik had gevochten gaf hij hem wat hij hem beloofd had, met nog eens honderd kamelen. Uiteindelijk vreesden de mensen dat hun deel van de buit verloren zou gaan als Allah’s Boodschapper (saw) door zou gaan met het weggeven van de buit aan een ieder die naar hem kwam van Hawazin. Zij vroegen of de buit verdeeld kon worden, zodat ieder zijn deel zou krijgen. Zij mompelden onder elkaar over deze concessies en hun gemompel bereikte de oren van de Boodschapper van Allah (saw). Hij (saw) verwijderde openlijk een haar van de bult van een dichtstbijzijnde kameel en hield het omhoog tussen zijn vingers en zei: “Oh Mensen! Bij Allah ik heb niets dan een vijfde van jullie buit gelijk aan deze haar en het vijfde deel zal tot jullie terugkeren; dus wie dan ook iets in oneerlijkheid heeft genomen, zelfs een naald, het zal een schande zijn en vlammen, en een schandelijke uitspraak zal er voor hem en zijn familie zijn op de Dag der Opstanding.” De Boodschapper van Allah (saw) nam een vijfde deel voor zichzelf en verdeelde de rest onder zijn Sahabah. Van zijn deel gaf hij (saw) aan hen wiens harten gewonnen moesten worden, degenen die in het verleden zijn aardsvijanden waren. Hij (saw) gaf Aboe Soefyan, zijn zoon Moe’awiya, al Harith ibn al Harith, al Harith ibn al Hisjaam, Soehayl ibn ‘Amr, Hoewaytib ibn ‘Abd al-‘Oezza en de leiders van de stammen honderd kamelen elk boven op hun deel van de buit. Hij (saw) gaf anderen, in toevoeging hierop hun deel, vijftig kamelen elk. In het verdelen van de buit, was de Boodschapper van Allah (saw) erg gul en vergevingsgezind. Hij (saw) getuigde ook van opperste pienterheid en politieke bewustheid. Hoewel, sommige van de moslims de motieven niet realiseerden achter deze manoeuvres. De Ansaar, die niets hadden gekregenvan de buit, begonnen te fluisteren onder elkaar over deze acties van de Boodschapper van Allah (saw). Jammerend, namen ze de kwestie tot het hart. Eén van hen riep de collectieve gevoelens op van de anderen met de woorden: “Bij Allah, de Boodschapper van Allah heeft zijn eigen mensen ontmoet.” Sa’d ibn ‘Oebada ging naar de Boodschapper van Allah (saw) en vertelde hem wat er was gebeurt. Hij (saw) vroeg: “Aan welke kant sta jij betreffende deze kwestie Sa’d?” Als antwoord zei Sa’d: “Ik sta aan de kant van mijn volk.” Allah’s Boodschapper (saw) zei tegen hem: “Verzamel jouw volk op deze besloten plek.” Toen degenen in kwestie waren verzameld, sprak de Boodschapper van Allah (saw) ze op de volgende manier aan: “Wat is dit wat ik van jullie hoor? Denken jullie slecht over mij in jullie harten? Kwam ik niet bij jullie toen jullie zondig waren en Allah leidde jullie? Armoedig en Allah maakte jullie rijk? Vijandig en Allah verzachte jullie harten?” Ze antwoordden: “Ja inderdaad, Allah en Zijn Boodschapper zijn het vriendelijkst en meest vrijgevig.” Hij (saw) ging verder: “Waarom geven jullie me geen antwoord, Oh volk van de Ansaar?” Ze zeiden: “Hoe moeten we u beantwoorden, Oh Boodschapper van Allah? Vriendelijkheid en vrijgevigheid behoren tot Allah en Zijn Boodschapper.” Hij (saw) zei: “Hadden jullie bij Allah zo gewenst dan hadden jullie gezegd kunnen hebben– en jullie zou de waarheid hebben gesproken en jullie zouden worden geloofd – 'jij kwam naar ons in twijfel getrokken en we geloofden in jou; verlaten en we hielpen jou; een vluchteling en we namen je tot ons; arm en we troostten jou.' Zijn jullie gekwetst vanwege de goede dingen in dit leven waar ik de mensen mee probeer te winnen zodat ze moslims moge worden terwijl ik jullie vertrouw op jullie Islam? Zijn jullie niet tevreden dat mensen kuddes nemen terwijl jullie de Boodschapper van Allah met jullie mee terug nemen? Bij Hem in wiens hand de ziel van Moehammad is, als het niet voor de migratie was, zou ik zelf een Ansaar zijn. Als alle mensen een weg opgingen en de Ansaar een ander dan zou ik het pad nemen van de Ansaar, Oh Allah, zend Uw genade tot de Ansaar, hun zonen en hun zoons’ zonen.” De mensen huilden totdat tranen rolden over hun baarden en ze zeiden: “We zijn tevreden met de Boodschapper van Allah als ons deel.” De Boodschapper van Allah (saw) keerde terug naar Mekka van al Dji’rana om de ‘oemra te verrichten tezamen met het leger. Hierna stelde hij (saw) ‘Oetba ibn Oesayd aan als wali (gouverneur) van Mekka en gaf de taak aan Moe’adh ibn Jabal om de mensen Islam te onderwijzen. De Boodschapper van Allah (saw) keerde terug naar Medina samen met de Ansaar en de Moehadjirien.
Afdrukken