De Opening van Mekka

Toen het verdrag van Hoedaybiya tussen de Boodschapper van Allah (saw) en de Qoeraisj getekend was, kwam de stam van Khoeza’a onder de bescherming van de Boodschapper (saw) en Banoe Bakr onder die van de Qoeraisj. De relaties tussen de Qoeraisj en de Boodschapper van Allah (saw) bleven vreedzaam en beide kanten zette hun zaken voort. De Qoeraisj breidde hun handel uit om goed te maken wat ze verloren hadden tijdens de oorlogen met de moslims. De Boodschapper (saw) vervolgde zijn taak van het overbrengen van de Boodschap van Islam aan de gehele mensheid, terwijl hij tegelijkertijd de positie van de Islamitische staat op het Arabisch Schiereiland versterkte en veiligheid en zekerheid verzorgde binnen de Staat zelf. De Boodschapper van Allah (saw) versloeg de joodse versterkingen bij Khaybar en hij (saw) zond toen zijn gezanten naar de koningen van verschillende staten en bewerkstelligde buitenlandse contacten. Hij (saw) breidde de autoriteit van de Islamitische Staat uit tot het punt dat het hele Arabische Schiereiland omvatte. Exact een jaar na al Hoedaybiya riep de Boodschapper van Allah (saw) de mensen op om zich voor te bereiden voor de ‘oemra oel qadaa' (om de Oemra die hij bij Hoedaybiya miste goed te maken) welke hij het vorige jaar niet uit kon voeren. Een konvooi van twee duizend mannen marcheerden vanuit Medina en in overeenstemming met de Hoedaybiyaanse overeenkomst, droeg niemand van de mannen meer dan een zwaard in de schede, zoals het voorschreven was. Echter, de Boodschapper van Allah (saw) was bang voor verraad door de Qoeraisj en hij bereidde dus een leger van honderd ruiters voor met Moehammad ibn Maslama aan het hoofd, met de instructies om de groep te leiden, maar niet de heiligheid van Mekka te overtreden. De moslims gingen voort, voltooiden de ‘oemra en keerden terug naar Medina, zonder enig incident. Na hun terugkeer naar Medina begonnen de mensen uit Mekka Islam te omarmen. Khalid ibn al Walid, ‘Amr ibn al ‘Aas en de beschermer van de Ka’ba, ‘Oethman ibn Talha omarmden Islam, gevolgd door een grote groep mensen uit Mekka. De moslims werden elke dag sterker, terwijl angst en zwakheid in de ranken van de Qoeraisj kroop. Toen de moslims terugkeerden van de slag van Moe’ta, na vele slachtoffers te hebben geleden, achtten de Qoeraisj dat het afgelopen was met de moslims dus motiveerden ze de stam van Banoe Bakr tegen Khoeza’a en leverden ze hen wapens. Banoe Bakr viel Khoeza’ah aan sommige van hun mannen dodend en de overige Khoeza’a vluchtten naar Mekka om daar hun toevlucht te zoeken. ‘Amroe ibn Salim al Khoeza’i haastte zich daarna naar Medina en vertelde de Boodschapper van Allah (saw) wat had plaatsgevonden en smeekte om zijn hulp. De Boodschapper van Allah (saw) antwoordde: “Moge jij geholpen worden, Oh ‘Amroe ibn Salim.” Hierop besloot de Boodschapper van Allah (saw) dat deze breuk van het verbond van de Qoeraisj niet genegeerd kon worden noch kon het hersteld worden behalve door Mekka te openen. De Qoeraisj waren bang voor de consequenties van het breken van het verbond dus zonden ze Aboe Soefyan naar Medina met het doel het verbond te versterken door te vragen voor een voorlenging. Echter, ging Aboe Soefyan niet direct erheen om de Boodschapper van Allah (saw) te ontmoeten maar in plaats daarvan ging hij naar het huis van zijn dochter Oemm Habiba, vrouw van de Boodschapper van Allah (saw). Toen hij zich bewoog om op het bed van de Boodschapper van Allah (saw) te zitten vouwde ze het op zodat hij er niet op kon zitten. Toen haar vader vroeg of ze het had gevouwen omdat hij er te goed voor was of het te goed voor hem was antwoordde ze: “Het is het bed van de Boodschapper van Allah (saw) en jij bent een smerige polytheïst dus ik wil niet dat je erop gaat zitten.” Aboe Soefyan antwoordde: “Bij Allah, sinds je mij hebt verlaten ben je slecht geworden.” Waarna hij haar verliet in een kwade staat. Later lukte het Aboe Soefyan om te praten met de Boodschapper van Allah (saw) en hem te vragen om voorlenging van het verbond, wat hij zo erg naar begeerde maar hij kreeg geen antwoord en werd compleet genegeerd. Daarna ging hij naar Aboe Bakr en pleitte bij hem of hij voor hem zou willen spreken met de Boodschapper van Allah (saw). Aboe Bakr weigerde dit te doen. Daarna benaderde hij ‘Oemar ibn al Khattab die hem fel berispte zeggende: “Moet ik voor jou bemiddelen met de Boodschapper van Allah? Bij Allah al had ik alleen een mier dan zou ik je ermee bevechten.” Uiteindelijk ging hij naar ‘Ali ibn Abi Talib die met Fatima was en hij vroeg hem of hij voor hem wilde bemiddelen met de Boodschapper van Allah (saw). ‘Ali antwoordde dat als de Boodschapper van Allah (saw) iets had besloten het nutteloos was voor enig iemand om hem om te praten. Naar Fatima kerende vroeg hij of haar zoon Hasan de beschermer tussen mensen mocht zijn. Ze zei: “Niemand kan bescherming geven tegen de Boodschapper van Allah.” Op dit punt werd Aboe Soefyan wanhopig en reed hij kort daarna weer terug naar Mekka waar hij zijn volk vertelde over zijn ervaring in Medina. Ondertussen spoorde de Boodschapper van Allah (saw) zijn volk aan om zich voor te bereiden voor de strijd en marcheerden met hen richting Mekka. Hij (saw) hoopte de Qoeraisj te verrassen zodat ze gedwongen werden zich over te geven en dus het vergieten van bloed zou worden vermeden. Het moslim leger 10.000 manschappen tellend vertrok vanuit Medina om Mekka te veroveren. Uiteindelijk bereikten ze Marr ad Dahran wat ongeveer vijf kilometer van Mekka af lag, zonder medeweten van de Qoeraisj. Hoewel de Qoeraisj een invasie verwachtten waren hun leiders nog steeds aan het debatteren over hoe ze dit zouden benaderen. Gedurende deze tijd kwam de altijd waakzame Aboe Soefyan naar buiten om het gevaar dat loomde over Mekka in te schatten, terwijl hij met al ‘Abbas was die reeds Islam had geaccepteerd. Hij reed op de witte ezel van de Boodschapper van Allah (saw) om een boodschap voor de Qoeraisj te brengen en om hen te waarschuwen, om of bescherming te zoeken of de vernietiging van de moslims te confronteren, want de Qoeraisj waren niet in een positie om in de weg van de Boodschapper van Allah (saw) te staan. Al ‘Abbas zei tegen Aboe Soefyan: “Dit is de Boodschapper van Allah en zijn leger en ik vrees voor jou en de Qoeraisj als hij Mekka binnen zou gaan met geweld.” Aboe Soefyan vroeg: “Wat kunnen we doen?” Al ‘Abbas vroeg hem om met hem te rijden en ze zouden de Boodschapper van Allah (saw) ontmoeten om bescherming bij hem te zoeken. Terwijl ze voortgingen in het kamp opgeslagen door de moslims, passeerden ze ‘Oemar’s vuur. ‘Oemar herkende de ezel van de Boodschapper en zag ook zijn onverbiddelijke vijand Aboe Soefyan. Realiserend dat al ‘Abbas bescherming wilde vragen voor Aboe Soefyan, snelde ‘Oemar naar de tent waar de Boodschapper van Allah (saw) was, om hem te vragen om Aboe Soefyan’s hoofd af te hakken. Echter galoppeerde al ‘Abbas met zijn ezel voor ‘Oemar uit en zei toen hij binnenkwam: “O Boodschapper van Allah, ik heb hem mijn bescherming aangeboden.” Een serieuze discussie begon op te laaien tussen ‘Oemar en al ‘Abbas: “Neem hem mee naar jouw verblijfplaats en breng hem terug in de ochtend.” De volgende dag was Aboe Soefyan voor de Boodschapper van Allah (saw) gebracht waarop hij Islam accepteerde. Al ‘Abbas zei tegen de Boodschapper van Allah (saw): “O Boodschapper van Allah! Aboe Soefyan is een man die ervan houdt enige eer te hebben, zou u niet wat voor hem kunnen doen?” Toen de Boodschapper van Allah (saw) dit hoorde verkondigde hij dat: “Wie Aboe Soefyan’s huis binnengaat is veilig, en wie zijn deur sluit is veilig, en degene die de Moskee binnengaat is veilig.” De Boodschapper (saw) beval daarna dat Aboe Soefyan zou worden aangehouden bij het smalle deel van de valei waar de berg zo gericht stond zodat het gehele moslim leger hem zou passeren en dat hij hen zou zien. Daarna snelde hij terug naar zijn mensen en schreeuwde met luide stem: “Dit is Moehammad die komt met een kracht die jullie niet kunnen weerstaan. Degene die Aboe Soefyan’s huis binnengaat is veilig.” Toen de Qoeraisj dit hoorden annuleerden ze hun verzet. Daarna marcheerde de Boodschapper van Allah (saw) en ging Mekka binnen terwijl hij op zijn hoede was. Hij (saw) had zijn commandanten geïnstrueerd om in vier divisies te verdelen en niet te vechten of bloed te vergieten behalve wanneer ze gedwongen waren dit te doen. Het leger ging Mekka binnen zonder enige weerstand behalve de divisie van Khalid ibn al Walid, die hier snel mee afrekende. De Boodschapper van Allah (saw) steeg af op de top van Mekka waar hij stopte voor een tijdje voordat hij richting de ka’bah marcheerde, welke hij zeven keer omcirkelde. Mensen verzamelden zich rond hem en hij (saw) reciteerde het vers: )يَاأَيُّهَا النَّاسُ إِنَّا خَلَقْنَاكُمْ مِنْ ذَكَرٍ وَأُنْثَى وَجَعَلْنَاكُمْ شُعُوبًا وَقَبَائِلَ لِتَعَارَفُوا إِنَّ أَكْرَمَكُمْ عِنْدَ اللَّهِ أَتْقَاكُمْ إِنَّ اللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرٌ( “O mensheid, Wij hebben jullie geschapen uit een man en een vrouw en Wij hebben jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen. Voorwaar, de meest edele van jullie is bij Allah degene die het meest (Allah) vreest. Voorwaar, Allah is van alles op de hoogte, Alwetend.” (VBK soerah al Hoedjoerat 49, vers 13). Daarna vroeg de Boodschapper van Allah (saw): “O Qoeraisj op welke manier verwachten jullie dat ik jullie behandel?” Ze antwoordden: “Goed! Jij bent een nobele broeder, zoon van een nobele broeder.” Hij (saw) zei: “Gaat jullie eigen weg, jullie zijn vrij.” Binnen de ka’bah beval de Boodschapper van Allah (saw) dat de tekeningen van engelen en profeten die haar muren versierden er verwijderd moesten worden. Hij (saw) trof een duif aan die gemaakt was uit hout. Dit beeld brak hij (saw) met zijn handen en gooide het weg. Tot slot wees Allah’s Boodschapper (saw) de massa’s idolen aan met een stok in zijn hand en reciteerde het vers: )وَقُلْ جَاءَ الْحَقُّ وَزَهَقَ الْبَاطِلُ إِنَّ الْبَاطِلَ كَانَ زَهُوقًا( “En zeg: De waarheid is gekomen en de valsheid is ten onder gegaan. Voorwaar! Valsheid is altijd gedoemd onder te gaan.” (VBK soerah al Isra 17, vers 81) Alle idolen stortten inelkaar, de een na de ander, daarna waren ze verbrand, gebroken en vervolgens uit de weg geruimd. Nu was het heilige huis, de ka’bah, eindelijk gereinigd. De Boodschapper van Allah (saw) verbleef vijftien dagen in Mekka waar hij (saw) gedurende die periode de aangelegenheden van Mekka regelde en de bewoners de Islam onderwees. Zodoende was Mekka compleet bevrijd als resultaat van de overwinning op de materiële obstakels die in de weg stonden van de Islamitische campagne. De grote overwinning was bereikt, op enkele kleine opstanden op het Arabische Schiereiland na zoals in de steden Hoenayn en Ta’if. Naar verwachting zouden de opstanden in deze twee steden zonder moeite opgelost worden.
Afdrukken