Het Bouwen van de Samenleving

Allah (swt) heeft de mens het overlevingsinstinct geschonken. Eén van de kenmerken van dit instinct is dat mensen zich verzamelen en samenleven en dus is de coëxistentie en interactie van mensen een natuurlijke menselijke neiging. Echter, dit doet hen niet transformeren tot een samenleving. In plaats daarvan zijn ze een groep en ze zouden een groep blijven tenzij ze relaties ontwikkelen die hen zouden binden met een gemeenschappelijke belangen en hen zou beschermen tegen gemeenschappelijke bedreigingen. Alleen als dergelijke relaties bestaan opdat hun gemeenschappelijke belangen behouden zullen worden, zouden ze een samenleving kunnen worden. Echter, deze relaties zullen niet resulteren in een homogene samenleving, tenzij aan drie voorwaarden wordt voldaan: Het bereiken van een gemeenschappelijke kijk op deze relaties door: 1) Eenheid van ideeën; 2) Eenheid in goedkeuring en afkeuring jegens deze relaties, bereikt door eenheid van emoties; 3) Gelijkheid van het systeem dat zich richt op hun problemen. Daarom is het essentieel om de ideeën, gevoelens en systeem die de samenleving karakteriseren, te bestuderen, te analyseren en te begrijpen, alvorens een opinie erover te vormen. Want zij alleen kunnen een samenleving bepalen en doen onderscheiden van een andere. Laten wij op deze basis een kijk nemen naar de Medinische samenleving toen de Boodschapper van Allah (saw) daar was garriveerd. In die tijd leefden er drie groepen in Medina: De moslims (Moehadjirien en Ansaar), die de grootste groep vormden; de polytheïsten, van de Aws en Khazradj die Islam niet hadden aanvaard; en de joden die zelf waren verdeeld in vier groepen (één binnen Medina genaamd Banoe Qaynoeqa’, en de andere drie buiten Medina, namelijk Banoe Nadir, Khaybar en Banoe Qoerayda). Zelfs voor Islam, vormden de joden hun eigen gescheiden samenleving van die van Medina. Dit was zo omdat hun concepten en emoties anders waren, evenals de manier hoe ze hun kwesties behartigden. Het resultaat hiervan was dat de Joden nooit deel uit maakten van de algemene samenleving van Medina, ondanks dat ze in en rondom de stad woonden. Wat betreft de polytheïsten, ze waren in kleine aantallen en waren overweldigd door de Islamitische atmosfeer die Medina doordrong. Daarom was hun overgave aan de Islamitische concepten en emoties en de wetten van Islam onvermijdelijk, zelfs wanneer ze Islam niet hadden aanvaard. De Moehadjirien en Ansaar waren verenigd door de Islamitische ‘aqiedah. Islam harmoniseerde hun zaken. Ze smolt hun concepten en emoties tot één – hun levens en zaken organiserend op de basis van Islam was een natuurlijke en onvermijdelijke uitkomst. De Boodschapper van Allah (saw) begon de relaties van de moslims te organiseren op basis van de Islamitische ‘aqiedah. Hij (saw) nodigde hen uit om een broederschap te vormen, een broederschap die een visueel en blijvend effect zou hebben in hun relaties, in hun handelszaken en levenszaken. Het was met dit beleid in het hoofd dat hij (saw) een broederschap initieerde met ‘Ali ibn Abi Talib; zijn oom Hamza werd de broeder van zijn slaaf Zayd; en Aboe Bakr en Kharidja ibn Zayd werden broeders op een vergelijkbare manier. Hij (saw) nodigde toen de Moehadjirien en de Ansaar uit om een vergelijkbare broederschap te vormen, dus ‘Oemar ibn al Khattab en ‘Oetbah ibn Malik al Khazradji werden broeders van elkaar en zo ook Talhah ibn ‘Oebaydoellah en Aboe Ayoeb al Ansari en ‘Abd ar Rahman ibn ‘Auf en Sa’d ibn ar Rabi’i. Deze broederschap had ook zijn materiele effect, want de Ansaar hadden een grote mate van gulheid ten opzichte van hun broeders getoond, de emigranten, wat enkel leide tot een versterking van de banden. De Ansaar schonken hen geld en eigendommen, alles met hen delend. Ze ruilden en boerden samen. De handelaren onder de emigranten stortten zich op de handel, ‘Abd ar Rahmaan ibn ‘Auf verkocht boter en kaas en anderen die handelsgericht waren deden hetzelfde. En voor degenen die niet handelden, zij gingen boeren, zoals Aboe Bakr en ‘Ali die werkten op de landen gegeven door de Ansaar. De Boodschapper van Allah (saw) zei: “Wie een stuk land bezit moet het bewerken of het aan zijn broeder geven.” Dus de moslims werkten voor hun inkomsten. Er was echter een kleine groep moslims die geen geld hadden en geen werk konden vinden en nergens konden leven, zij waren de armen die geen emigranten noch Ansaar waren. Dit waren de bedoeïenen die naar Medina kwamen en Islam hadden omarmd. De Boodschapper van Allah (saw) zorgde voor hen en gaf hen onderdak in het bedekte deel van de Moskee, waar zij bekend werden als de Ahl as Soeffah. Zij leefden van de rijke moslims die Allah (swt) in Zijn (swt) gulheid had begunstigd. Op deze manier slaagde Allah’s Boodschapper (saw) er in om de manier van leven van de moslims te stabiliseren. En had hij hun relaties met elkaar op een solide basis bepaald. De Boodschapper van Allah (saw) vestigde derhalve de samenleving in Medina op een sterk fundament die ferm stond in het gezicht van ongeloof en in staat was zich te verzetten tegen de samenzweringen van de hypocrieten en de joden. De Islamitische samenleving bleef doorgaans verenigd. En de Boodschapper van Allah (saw) werd zelfverzekerd door deze vereniging van onder de moslims. Wat de polytheïsten betreft, zij hebben nooit een blijvend effect op de structuur van de samenleving geproduceerd. Ze onderwierpen zich eerst aan de Islamitische regels en ze namen toen af (in aantal), om uiteindelijk te verdwijnen. De joden bleven altijd een aparte samenleving, anders dan andere samenlevingen, zelfs voor Islam. Toen de autoriteit van Islam werd gevestigd in Medina, werden de verschillen dieper en de behoefte om relaties te bouwen tussen de moslims en de joden op een specifieke basis, noodzakelijk. Dus de Boodschapper van Allah (saw) bepaalde de positie van de moslims ten opzichte van de andere leden van de samenleving. Hieromtrent schreef de Boodschapper van Allah (saw) een document betreffende de Moehadjirien en de Ansaar, waarin hij een overeenkomst maakte met de joden die hen veilig stelde in hun religie en eigendommen en waarin hij hun compensatieverplichtingen verklaarde. Hij (saw) begon als volgt met het document: “Dit is een document van Moehammad de Profeet, die de relaties tussen de gelovende moslims van Qoeraisj en Yahtrib (Medina) ordent, en diegenen die hen volgen en samen met hen vochten. Zij zijn één oemmah met uitsluiting van alle mensen.” Hij (saw) noemde toen hoe de relaties tussen de gelovigen zou worden samengesteld. Hij noemde ook de joden gedurende zijn toespraak betreffende de relaties tussen de gelovigen, zeggend: “Een gelovige zal niet een gelovige doden voor de zaak van een ongelovige, noch zal hij een ongelovige helpen tegen een gelovige. Allah’s overeenkomst onder hen is één, elk van hen is verantwoordelijk. De gelovigen zijn beschermers (woela’a) van elkaar met de uitsluiting van buitenstaanders. Aan de joden die ons volgen behoort hulp en gelijkheid. Zij zullen niet benadeeld worden, noch zullen hun vijanden geholpen worden. De vrede van de gelovigen is onverdeelbaar. Geen aparte vrede zal gemaakt worden als de gelovigen aan het vechten zijn op de weg van Allah. De voorwaarden moeten eerlijk zijn voor allen.” De joden die genoemd werden in het document waren degenen die inwoners wilden zijn van de Islamitische Staat. Het was niet geadresseerd aan de joodse stammen die in de buitenstreken van Medina leefden. Dus elke jood die een burger van de staat wilde worden zou dezelfde rechten genieten en dezelfde behandeling ontvangen, want hij zou beschouwd worden als een hhimmi (mensen van de overeenkomst). Wat betreft de joodse stammen genoemd in het document, naar hen werd gerefereerd in het laatste deel van het document en dit omvatte de joden van Banoe ‘Auf en de joden van Banoe an Nadjar, enzovoort. Hun positie tegenover de Islamitische Staat werd door het document bepaald. Het was duidelijk vastgesteld dat hun relaties met de moslims gebaseerd zouden zijn op de Islamitische heerschappij, dat zij onderworpen zouden zijn aan de autoriteit van Islam en het beschermen van de belangen van de. Sommige punten genoemd in het document waren: 1) De naaste vrienden van de joden zijn zij zelf. Niemand van hen zal naar buiten gaan zonder de toestemming van Moehammad (saw). 2) Yahtrib zal een heilige plaats zijn voor de mensen van dit document. 3) Als enig discussie of tegenstrijdigheid problemen zal veroorzaken, dient het gerefereerd te worden aan Allah en de boodschapper van Allah. 4) De Qoeraisj en hun helpers zal geen bescherming gegeven worden. Het document van de Boodschapper van Allah (saw) bepaalde de positie van de joodse stammen rondom Medina. Het heeft hen de voorwaarden opgelegd dat zij niet uit Medina zouden gaan zonder zijn (saw) toestemming, zonder de toestemming van de Staat. Ze werden verboden om de heiligheid van Medina te overtreden door middel van oorlog of te assisteren in een oorlog. Ze werden ook verboden om de Qoeraisj te helpen of diegenen die de Qoeraisj hielpen en ze waren gebonden aan de voorwaarden van het convenant om enig dispuut over de inhoud van het document, naar de Boodschapper van Allah (saw) te refereren. De joden gingen akkoord met de voorwaarden die in het document waren opgesteld en alle stammen die erin werden genoemd tekenden het dusdanig. Ze waren Banoe ‘Auf, Banoe an Nadjar, Banoe al Harith, Banoe Sa’ida, Banoe Djoeshm, Banoe al ‘Aws, en Banoe Tha’lahba. Banoe Qoeraydah, Banoe an Nadir en Banoe Qaynoeqa’ tekenden niet in die tijd, maar deden dat op een later tijdstip, en ze waren allen bereid om zich te onderwerpen aan de voorwaarden opgesteld in het document. Bij het tekenen van dit document heeft de Boodschapper van Allah (saw) de relaties in de nieuwgeboren Islamitische Staat stevig verankerd. De relatie tussen de Staat en de naburige joodse stammen werden eveneens goed gevestigd op een duidelijke en specifieke basis, waarbij Islam de rechter was. Het was in deze fase dat Allah’s Boodschapper (saw) zeker werd, wetende dat de Islamitische samenleving nu goed opgericht was en dat hij in een zekere zin veilig was van onmiddellijke daden van verraad en strijd van de joden, dus hij (saw) begon met de taak van het verwijderen van de materiële obstakels die in de weg stonden van de Boodschap van Islam, door een oorlog voor te bereiden.
Afdrukken