De Zwakheid van de Staat: Oorzaken & Factoren

De Islamitische Staat is gebaseerd op de Islamitische ideologie en ontleend haar kracht alleen aan deze ideologie. Het is de hoofdoorzaak van de progressie en voorspoed en de basis van haar bestaan. De Islamitische Staat kwam tot bestaan en bewerkstelligde zichzelf op een krachtige manier dankzij de kracht van Islam. Het consolideerde grote gebieden van de wereld in een tijdsbestek van minder dan een eeuw, ondanks het feit dat paarden en kamelen haar enige middelen van transport waren en al haar geopende landen en naties omarmden Islam binnen een korte periode ondanks het feit dat haar middelen van communicatie gelimiteerd waren tot het woord en de pen. Islam maakte dit allemaal mogelijk door de drijfveer van de kracht achter de staat te zijn. De vijanden van Islam realiseerden dit en wisten dat de verzwakking van de Islamitische Staat onmogelijk zou zijn als Islam sterk en diepgeworteld in de harten en gedachten van de moslims bleef en zolang het begrip van Islam duidelijk bleef en haar implementatie accuraat en veelomvattend. Daarom probeerden de Koefaar de middelen te vinden welke het begrip van de moslims en de implementatie van haar regels over Islam zou doen verzwakken. De methoden welke de vijanden van Islam gebruikten om het begrip te verzwakken waren er veel in aantal. Sommigen waren gerelateerd aan de tekst en anderen aan de taal die gebruikt werd in de overdracht en lessen. Er werden ook andere methoden gebruikt die gerelateerd waren aan de relevantie van Islam met betrekking tot de realiteit. Zij waren van plan om valse verhalen aan de ahadieth van de Boodschapper van Allah (saw) toe te voegen, die nog nooit gezegd waren, en zij kregen het voor elkaar om in hen niet Islamitische betekenissen en concepten te fabriceren welke tegenstrijdig met Islam waren, in de hoop dat deze geadopteerd door de moslims zouden worden en hen van Islam zou doen vervreemden. Het was hen inderdaad gelukt en zij verspreidden deze valse ahadieth onder de mensen. De moslims werden hiervoor gealarmeerd en zij onthulden op hun beurt de kwade plannen van deze Zanadiqah (ketters). De moslims verpletterden hun kwade band en braken hun samenzwering voortijdig af. Geleerden en ahadieth experts gingen deze uitdaging aan en begonnen de ahadieth te verzamelen door elke hadieth te relateren aan de verteller, zijn reputatie en de datum waarop elke hadieth verteld was, elke hadieth onderstrepend en classificerend. De ahadieth werden geclassificeerd als Sahieh (betrouwbaar) en Da’ief (onbetrouwbaar) en werden beschermd. De verhalen van de ahadieth werden beperkt tot de drie generaties na de Sahabah en geen ander verhaal na hen werd geaccepteerd. De vertellers werden allen individueel geïdentificeerd en de boeken van de ahadieth werden ook geclassificeerd totdat de moslims in staat waren om de authenticiteit van elke hadieth haar tekst en keten van vertellers te relateren. De Islamitische Staat ging hard om met deze Zanadiqah en de meeste van hen werden geëxecuteerd voor hun deel in de vervalsing en fabricatie van de ahadieth van de Boodschapper van Allah (saw). Over het geheel had het complot geen beschadigend effect op Islam, noch op de Staat. De vijanden van Islam namen toen hun toevlucht tot de aanval op de Arabische taal als zijnde de taal middels welke Islam en haar regels overgedragen zijn en zij probeerden het te scheiden van Islam. Zij slaagden niet in het begin, omdat de moslims voort gingen met hun openingen, gewapend met het Boek, de Soenna en de Arabische taal en zij zouden de mensen alle drie leren. De mensen omarmden Islam en spraken later vloeiend Arabisch en sommige van de niet-Arabieren werden onderscheidende moedjtahiddien zoals Imaam Aboe Hanifah. Anderen werden uitzonderlijke dichters zoals Basjar ibn Boerd en sommigen werden welsprekende schrijvers, zoals Ibn al Moeqaffa’. De moslims besteedden grote aandacht aan de Arabische taal. Imam Sjaafi’ie verbad de vertaling van de Koran en verbad het gebed waarin geen Arabisch werd gebruikt. Degenen die de vertaling van de Koran goedkeurden, zoals Imam Aboe Hanifah, noemden in elk geval de vertaalde tekst nooit een Koran. Arabisch bleef het middelpunt van de aandacht, omdat dit het fundamentele deel van Islam is en een noodzakelijke voorwaarde voor idjtihaad. Het begrip van de bronnen van Islam is alleen te verkrijgen in het Arabisch en de extractie van de Sjari’a kan niet bereikt worden, behalve middels het Arabisch. Echter, de aandacht, zorg en belang die aan de Arabische taal gegeven werd vervaagde aan het eind van de zesde eeuw na Hidjra toen de regenten die zich niet het belang van de Arabische taal realiseerden aan de macht kwamen. Zij negeerden daarom dat gebied met als gevolg dat de idjtihaad geblokkeerd werd door de afwezigheid van vloeiendheid in de Arabische taal, één van de hoofdingrediënten in het extraheren van de Sjari’a. Op dit niveau werd de Arabische taal gescheiden van Islam en het begrip van de Sjari’a door de staat vervaagde, met als gevolg dat de implementatie van de regels ook vervaagden. Dit droeg voor een groot deel bij aan het mankement van de staat. Het werd verminderd in haar vermogen tot begrip en het aangaan van nieuwe problemen, dus leidde dit tot de mislukking om de problemen op te lossen of ze werden op een verkeerde manier opgelost. Hierdoor stapelden problemen zich op in het gezicht van de staat met als gevolg dat ze overweldigd werd. Dit voor wat betreft de Islamitische teksten en taal. Wat betreft de implementatie van Islam in de realiteit van het hedendaagse leven, hierin dook de verzoening van de Indiase filosofie met Islam op. De zoektocht naar het Hiernamaals werd bereikt door het ascetisme en zelf ontbering en dit leidde tot het feit dat veel mensen zich afkeerden van de wereldse geneugten om een passieve levensvorm te adopteren. Zij zagen af van hun rol als actieve leden van de samenleving en dit resulteerde in een groot verlies voor de Islamitische Staat en de moslims in het algemeen. Hierdoor verloor de staat veel getalenteerde jongemannen die zich hadden kunnen toewijden aan Islam, in plaats van de toevlucht te nemen tot ascetisme en de zelf ontbering. Later bracht de culturele invasie door het Westen een cultuur vreemd aan Islam met zich mee, het Westen bedroog de moslims door het beweren dat zij deze cultuur van hen genomen hadden en dat de systemen die zij meebrachten niet de Islamitische regels tegenspraken. Het Westen had een wetgeving gebracht die tegen de Sjari’a indruiste. Dit beïnvloedde de moslims zodanig dat het leidde tot het opdringen van de Westerse cultuur en dit beïnvloedde de moslims. De moslims begonnen het leven te zien als zijnde gebaseerd op profijt. Gedurende de heerschappij van de Ottomaanse Khilafah werden sommige Westerse wetten geadopteerd, een Westers bankensysteem werd bewerkstelligd, riba gerechtvaardigd en de straffen geblokkeerd en vervangen door Westerse straffen. Ondanks het feit dat fatawa werden uitgebracht om dergelijke acties te rechtvaardigen, had het een dramatisch effect op de staat en leidde haar weg van de Islamitische heerschappij. Deze verandering van Islam verdelgde de sterke imaan die de moslims eens hadden, leidde de staat weg van het rechte pad en leidde tot haar zwakheid en uiteenval. Dit voor wat betreft het begrip van Islam, voor wat de implementatie betreft waren er veel factoren die bijdroegen aan de verkeerde implementatie van de Sjari’a. Een dergelijke factor waren de politieke partijen, die elk van hen hun wil wilden opleggen en hun toevlucht namen tot militaire middelen om de autoriteit en de heerschappij te grijpen. De Abbassieden deden dit door het veroveren van Perzië en Irak en gebruikten hen als een platform totdat zij de totale macht konden grijpen en de functie van heerschappij van Banoe Haasjim konden beperken. Toen kwamen de Fatimieden. Zij namen de wilayah van Egypte over en vestigden een staat daar om het te gebruiken als ondersteuningspunt met het uiteindelijke doel om de heerschappij van de Islamitische Staat over te hevelen aan de zonen van Fatimah, de dochter van Allah’s Boodschapper (saw). Hun actie veroorzaakte een tegenslag op de Islamitische Staat en blokkeerde de Djihaad, terwijl het resulteerde in de vestiging van een tweede macht die wedijverde om de controle over de Khilafah ondanks het feit dat de Islamitische Staat een staat van eenheid is en het voor de moslims verboden is om meer dan één Khaliefah tegelijkertijd te hebben. De Boodschapper van Allah (saw) zei betreffende deze kwestie: “Als een eed van trouw genomen is van twee Khoelafa, dood dan de laatste van hen”. Deze factoren droegen grotendeels bij aan het verzwakken van de staat, alsmede het uitstel van de openingen en daarmee resulterend in het nalaten van de uitdracht van de Boodschap van Islam. Maar wat deze politieke partijen leidden tot een dergelijke methode om de macht te grijpen was een resultaat van wat zich eerder had plaatsgevonden, tijdens de heerschappij van de Oemmayaden. De Oemmayaden introduceerden de methode van het overhevelen van de Khilafah aan een schijnbare erfgenaam aan wie vervolgens de baj’a werd gegeven. Dit veranderde de baj’a in een louter protocol en doodde de hoop om deze positie van heerschappij met haar middelen te bereiken. Moe’awiyah bijvoorbeeld gaf de autoriteit door aan zijn zoon en nam later de baj’a voor hem af. Hierdoor volgde elke Khaliefah dezelfde trend, door een eed voor hun erfgenamen te nemen en toen de mensen te vragen hem de baj’a te geven. De mensen werden beperkt tot het geven van de baj’a aan diegene die de Khaliefah genomineerd had en deze gaf vrijwel nooit de baj’a aan iemand anders. Deze methode dwong de politieke partijen om met kracht de macht te grijpen. Ondanks het feit dat Aboe Bakr de methode van nominatie geadopteerd had, leidde de misapplicatie van de Oemmayaden tot deze toenemende problematiek. Aboe Bakr had in feite overlegd met de moslims over de kwestie met als resultaat dat ‘Oemar en ‘Ali in het beeld kwamen als twee kandidaten. De nominatie werd toen gegeven aan ‘Oemar en hij werd verkozen als Khaliefah na de dood van Aboe Bakr. ‘Oemar nam de baj’a van de oemmah. Dit was in overeenstemming met de Sjari’a. De Khoelafa van Bani Oemayyah paste deze regel verkeerd toe en nomineerden hun zonen, broers of verwanten. In sommige gevallen nomineerden zij zelfs meer dan één persoon. Dergelijke misapplicaties leidde tot de ontbering van de moslims van het geven van de baj’a aan wie zij wilden en dit leidde op zijn beurt tot de verzwakking van de staat. Op het begin had het niet veel effect op de staat omdat het zo machtig was, maar de tekenen van wankelheid begonnen op te komen. Misapplicatie was niet simpel beperkt tot de staat. De wilayat werden door de dezelfde malaise getroffen. De stilte van de Abbassieden over de actie van ‘Abd al Rahmaan al Dakhil in Andaloesië stelde dit vast. Zijn actie leidde tot de amputatie van een groot deel van de staat toen hij onafhankelijk over Andaloesië regeerde, zo deden de gouverneurs die hem opvolgden dit ook sommigen van hen namen zelfs de titel van Amier al Moe’minien aan. Hoewel Andaloesië niet de totale onafhankelijkheid van de Islamitische Staat verklaarde. Het werd desalniettemin gescheiden bestuurd en dit resulteerde in zwakheid welke in de structuur van de staat kroop. Uiteindelijk faciliteerde dit de inbeslagneming door de ongelovigen toen de Islamitische Staat aan de top van haar glorie was en op haar meest formidabele sterkte. De staat kon weinig doen om de val van Andaloesië te voorkomen en dit was te wijten aan de disintegratie van de administratie van Andaloesië. Dat gebeurde op het westerlijk front. In het oosten werden de woelaa’ algemene en mandadige machten gegeven welke hun ego deed loskomen. Zij begonnen hun eigen Wilayat te besturen volgens hun eigen manier en de Khaliefah stemde hiermee in. Hij was tevreden met de lof die hij ontving van hun preekstoel en bij de benoeming dat beslissingen op zijn gezag genomen werden of bij het uitgeven van de munt welke zijn naam droeg met het gecontinueerde ontvangstbewijs van kharadj inkomsten van hen. Deze wilayat werden kleine onafhankelijke entiteiten. Dit was het geval met de waliyaat van Saldjoeqiyyien en Hamdaniyyien en vele anderen. Dit werd ook een bijdragende factor in het verzwakken van de staat. Volgend op deze periode kwamen de Ottomanen en de macht verschoof naar hen. De Ottomaanse Khilafah verenigde de meesten van de moslimlanden onder haar leiderschap. Ze initieerden djihaad door Europa en continueerde de oplegging van de Boodschap van Islam. Echter, deze uitbarsting in activiteiten was slechts ondersteund door een solide imaan van de eerste Ottomaanse Khoelafa en de militaire macht van het leger, en niet een juist begrip van de Islamitische concepten en de veelomvattende implementatie van Islam. Derhalve bereikten deze openingen niet wat de oude openingen hadden bereikt, en de kracht van de regenten omarmden niet alle gebieden van de Islamitische Staat. Als bijgevolg verviel de staat geleidelijk, ineenstortend totdat het uiteindelijk ophield te functioneren. Dit was als een direct resultaat van de eerder opgenoemde factoren gekoppeld met de vele samenzweringen gesmeed tegen de staat. De factoren die bijdroegen aan de zwakheid van de staat kunnen worden samengevat in twee hoofdoorzaken: het zwakke en ongeconcentreerde begrip van Islam en het resultaat van een misapplicatie van haar Goddelijke Wetten. Derhalve kan alleen een juist begrip van Islam de Islamitische Staat terugbrengen. Het behoud van de staat zou moeten bouwen op haar kracht van het bewaken van een dergelijk juist begrip, en de gepaste implementatie van haar Sjari’a op het thuisfront en de oplegging van haar Boodschap van Islam aan de wereld.
Afdrukken