De Slag van Al Ahzab

De aanvallen tezamen met de disciplinaire actie geregisseerd door de Boodschapper van Allah (saw) na de slag van Oehoed, had voor een groot deel de invloed van het hoge aanzien van de moslims hersteld en de autoriteit van de Islamitische Staat bevestigd. De invloedssfeer van de moslims verspreidde, hun autoriteit nam drastisch toe en bereikte nieuwe hoogtes. Het gehele Arabische schiereiland was gewaarschuwd voor de macht die werd uitgeoefend door de moslims. Wanneer de Arabieren hoorden over een aanval die tegen hen zou worden ondernomen door de Boodschapper van Allah (saw), dan zouden ze hem niet bestrijden maar eerder vluchten. Dit gebeurde in Ghatafan en Doemat al Djandal. De Qoeraisj was geen partij meer voor de moslims en ze durfden hen niet langer meer alleen te confronteren. Een voorbeeld hiervan is te zien tijdens de laatste aanval bij Badr kwam de Qoeraisj niet opdagen. Dit hielp de moslims enige stabiliteit te genieten en het gaf hen uitstel, wat hen de kans gaf zich te concentreren op het leven in Medina. Ze waren in staat om hun leven te continueren door de recente veranderingen die hadden plaatsgevonden. Nu dat de Moehadjirien de buit van de Banoe Nadir hadden verkregen, zoals hun landschappen, palmbomen (dadelpalmen), huizen en meubilair, wat verdeeld onder hen was, had er een aardige verandering in hun rijkdommen plaatsgevonden. Maar dit leidde hen niet af van het streven naar hun eerste prioriteit wat klaarblijkelijk djihaad was. Want djihaad is verordend tot de Dag des Oordeels. Desalniettemin waren hun levensomstandigheden verbeterd en een stuk stabieler dan voorheen. Desondanks de sereniteit in Medina bleef de Boodschapper van Allah (saw) altijd alert, het verraad van de vijand vrezende. Hij was altijd scherp in het verzamelen van nieuws over iedereen en elke ontwikkeling die plaatsvond in het Arabisch Schiereiland. Hij (saw) zond mensen uit om te verkennen en nieuws te verzamelen over het hele land en daar buiten. Hij (saw) was gretig om alles te leren over de bewegingen van de Arabieren om zo voorbereid te zijn, en om snel af te kunnen rekenen met elke vijandigheid. Dit was vooral de prioriteit van dat moment, nu dat de vijanden van de moslims in het schiereiland in grote getale waren, was het bouwen van een leger en een staat een vereiste. Dit was in het bijzonder de zaak na de uitwijzing van de joden van Banoe Qaynoeqa’ en Banoe Nadir evenals te hebben afgerekend met de stammen als Ghatafan, Hadhayl en vele anderen middels een vernietigende slag. In het licht van hetgeen hierboven vermeld, zag de Boodschapper van Allah (saw) kennis vergaring als iets vitaals. Het was in feite door dit medium dat hij vroegtijdige waarschuwingen ontving over het feit dat de Qoeraisj zich verzamelden met diverse andere stammen om Medina te overvallen. Hij (saw) was daarom in staat om voorbereidingen te treffen om de nieuwe bedreiging tegemoet te komen. Het waren de joden van Banoe Nadir die de Arabieren trachtten op te jutten tegen de Boodschapper van Allah (saw) om wraak te nemen op het feit dat zij uit Medina verbannen waren. Een aantal van hen had een partij gevormd tegen de Boodschapper van Allah (saw), onder hen waren Hoeyayy ibn Akhtab, Salam ibn Abi al Hoeqayq en Kinana ibn Abi al-Hoeqayq en van Banoe Wa’il waren er Haudha ibn Qays en Aboe ‘Ammar. Het was deze partij die de Qoeraisj in Mekka benaderde. De Qoeraisj vroegen Hoeyayy over zijn mensen en hij zei: “Ik heb hen gelaten tussen Khaybar en Medina, waar zij aarzelden en wachten op jullie om samen met jullie te marcheren naar Moehammad en zijn Metgezellen”. Zij vroegen hem ook over Banoe Qoerayda, en hij zei: “Zij bleven in Medina achter om Moehammad te misleiden. Zij wachten op jullie om Medina aan te vallen, om jullie zo van binnenuit te helpen”. Op dit niveau aarzelden de Qoeraisj, niet wetend of zij Medina moesten aanvallen of niet. Zij wisten dat er geen dispuut tussen hen en Moehammad (saw) was, behalve zijn (saw) oproep tot Allah (swt) en Islam. Daarom vroegen zij zich af of Moehammad het misschien wel bij het juiste eind had. Om hun twijfels van tafel te schuiven vroegen de Qoeraisj aan de joden: “Jullie, oh koden, zijn de eerste mensen die het schrift hadden ontvangen en jullie weten de aard van ons dispuut met Moehammad. Is onze dien het beste of die van hem?” De Joden antwoordden: “Voorzeker, jullie dien is beter dan die van hem en jullie hebben een betere claim om het bij het juiste eind te hebben!” De joden waren monotheïstisch en zij wisten heel goed dat de dien van Moehammad (saw) de juiste was, maar hun brandend verlangen om de Arabieren tegen hem (saw) op te stoken plaatste hen in deze verachtelijke blunder. Om te verkondigen dat het aanbidden van idolen beter was dan tawhied was hun eeuwige schande en schaamte, maar de joden hadden het desalniettemin gedaan en zouden nogmaals doen. Toen zij zeker waren dat de Qoeraisj overtuigd waren en dat zij graag hun oproep wilden beantwoorden, gingen de joden naar Ghatafan en van Qays Ghaylan naar Banoe Moerra, Banoe Sa’d, naar Asad en iedereen die een wrok koesterde jegens de moslims. Te zijner tijd verenigden een aantal Arabische stammen en gingen zij met de Qoeraisj naar Medina. De Qoeraisj marcheerden onder leiding van Aboe Soefyan. Zij telden ongeveer 4000 strijders, 300 cavaleristen en nog 1500 strijders rijdend op kamelen. Banoe Fazara marcheerde onder leiding van Oeyayna ibn Hisn ibn Hoedhayfa met een groot aantal strijders en 1000 kamelen. Ashja'a marcheerde onder leiding van al Harith ibn ‘Auf met 400 strijders. Salim en Bir Ma’oena’s mannen marcheerden met ongeveer 700 strijders. Toen zij allen zich verzameld hadden, werden zij verder versterkt met Banoe Sa’d en Banoe Asad. Bij elkaar telde het leger ongeveer 10.000 mannen en de coalitie macht marcheerde onder leiding van Aboe Soefyan. Toen het nieuws de Boodschapper van Allah (saw) bereikte, besloot hij zichzelf te verankeren in Medina. Salman al Farsi raadde aan om een geul te graven rondom Medina. De geul werd gegraven en de Boodschapper van Allah (saw) werkte zelf mee, de moslims aanmoedigend met de hoop op de beloning in djannah. Hij (saw) droeg hen op om hun inspanningen te verdubbelen en nog eens te verdubbelen en zodoende was de geul voltooid in zes dagen. Daarbij waren de muren die gericht naar de vijand waren versterkt, de huizen voorbij (buiten) de geul waren geëvacueerd en de vrouwen en kinderen waren geplaatst in de versterkte huizen binnen Medina. De Boodschapper van Allah (saw) trok erop uit met drieduizend moslims met zijn rug naar de valei van Sal’ en de geul scheidde hem van de vijand. Daar sloeg hij (saw) zijn kamp op en een rode tent werd voor hem opgezet. De Qoeraisj en hun bondgenoten trokken erop uit hopende Moehammad (saw) tegen te komen bij Oehoed maar hij bevond zich daar niet. De Qoeraisj marcheerden vervolgens door totdat ze Medina hadden bereikt en tot hun verbazing vonden ze hun weg afgesloten door een geul. De Qoeraisj en hun bondgenoten waren duidelijk onbekend met deze verdedigingsstrategie, ze waren gedwongen om het kamp op te zetten buiten Medina achter de geul om een volgende stap te overdenken. Aboe Soefyan en degenen met hem, realiseerden al snel dat ze een lange wacht tegemoet gingen door de geul omdat ze niet in staat waren binnen te stormen. Deze onvoortuinlijke situatie was zeer problematisch want het was winter, de wind was fors en bijtend koud. Onder deze omstandigheden begonnen de mensen gedemoraliseerd te worden, ze wensten dat ze naar huis konden gaan. Hoeyayy ibn Akhtab was zich hiervan bewust en hij suggereerde dat Banoe Qoerayda een overtreding van het vredesverdrag ingepraat moest worden die ze hadden getekend met de moslims zodat ze zich bij de coalitie zouden voegen. Hij vertelde de Qoeraisj en zijn bondgenoten dat als de Qoerayda dit zou doen de moslims al hun relaties met de buitenwereld hadden verloren en ze Medina vervolgens openlijk konden aanvallen. De Qoeraisj en Ghatafan waren behaagd met het idee en stuurden Hoeyayy om Ka’ab ibn Asad, de leider van Banoe Qoerayda te benaderen. Toen Ka’ab hoorde dat Hoeyayy kwam sloot hij de deur van het fort in zijn gezicht. Echter bleef Hoeyayy volhardend tot Ka’ab de deur opende; hij zei tot hem: “Mijn hemel Ka’ab! Ik heb jou een onsterfelijk beroemd en groot leger gegeven. Ik ben gekomen met de Qoeraisj met hun leiders en Ghatafan met hun leiders. Ze hebben een ferm verbond en beloofden mij dat ze niet uit elkaar zouden gaan totdat we tezamen een einde aan Moehammad en zijn manschappen hebben gemaakt.” Ka’ab twijfelde en haalde de loyaliteit en betrouwbaarheid van de Boodschapper van Allah (saw) aan. Hij vreesde over de consequenties van een dergelijk verraad. Maar Hoeyayy bleef Ka’ab opstoken, hem herinnerend aan hoe Moehammad (saw) de joden had behandeld en hoe sterk de bondgenoten waren totdat Ka’ab uiteindelijk toegaf en accepteerde wat Hoeyayy van hem had gevraagd. Dus brak Ka’ab zijn belofte en verbrak het verbond dat tussen hem en de Boodschapper van Allah (saw) was opgezet. De Qoerayda voegde zich dus bij de bondgenoten buiten de wetenschap van Allah’s Boodschapper (saw). Het nieuws bereikte de Boodschapper van Allah (saw) en zijn Sahabah en dit veroorzaakte een grote bezorgdheid onder hen. Ze vreesden het ergste dus zond de Boodschapper van Allah (saw) Sa’d ibn Moe’adh, hoofd van de ‘Aws, en Sa’d ibn ‘Oebada, hoofd van al Khazraj, samen met ‘Abdoella ibn Rawaha en Khawwat ibn Joebayr om te gaan kijken of het nieuws waar was of niet. Hij (saw) vroeg hen om hem een teken te geven dat hij alleen kon begrijpen om zo de moraal van de mensen te ondermijnen. Maar als de Qoerayda nog loyaal waren in hun verbond dan konden ze dit openlijk verkondigen voor de mensen. Dus gingen ze voort en ondervonden ze dat de situatie nog betreurenswaardiger was dan ze hiervoor hadden gehoord. Toen ze de Qoerayda probeerden te overtuigen hun verbond niet te onteren, eiste Ka’ab dat ze hun broeders van de Banoe Nadir toe moesten staan terug te keren naar hun huizen. Sa’d ibn Moe’adh die een bondgenoot van de Qoerayda was poogde hen te overtuigen om vast te houden aan het verbond. Ze spraken kleinerend over de Boodschapper van Allah (saw) zeggende: “Wie is de Boodschapper van Allah? We hebben geen verbond of onderneming met Moehammad.” De gezanten keerden terug en rapporteerden hun bevindingen aan Allah’s Boodschapper (saw). De situatie was klaarblijkelijk extreem serieus en vrees bestond alom. De bondgenoten bereidde zich voor op de strijd. De Qoerayda vroeg de bondgenoten ondertussen om hen tien dagen toe te staan om zich te kunnen voorbereiden op de strijd terwijl de bondgenoten de moslims hard zouden bevechten gedurende die tijd. Ze vormden drie divisies om de Boodschapper van Allah (saw) te bevechten, een divisie van Ibn al A’war al Silmi sloot Medina in vanaf de vallei, de divisie van ‘Oeyayna ibn Hisn kwam van de zijkant en Aboe Soefyan kwam vanaf de geul. Paniek greep de moslims en ze werden doodsbang. De kracht van de bondgenoten was te zien en hun moraal was erg hoog, ze gingen naar de geul en een paar van hen wisten het te bestormen. Sommige ruiters van de Qoeraisj waar onder ‘Amr ibn ‘Abdoe Woedd, ‘Ikrima ibn Abi Jahl en Dirar ibn al Khattab waren, slaagden erin over een smal deel van de geul te komen en sloegen hun paarden zodat ze zich erdoorheen snelden en hen droegen naar de moerasachtige grond tussen de geul en Sal’. ‘Ali ibn Abi Talib kwam naar buiten met sommige moslims om het gat te dichten waardoor ze zich een weg hadden gebaand. Nu ging ‘Amr ibn Abdoe Woedd voort toen zijn contingent tot een halt was gekomen en daagde iedereen uit om hem te bevechten. ‘Ali accepteerde de uitdaging en hij zei tegen hem: ”Ik roep je op om af te stijgen.” ‘Amr antwoordde: ”Oh zoon van mijn broer, ik wil jou niet doden.” ‘Ali zei: ”Maar ik wil jou wel doden.” Dus vochten ze en ‘Ali doodde hem. De overgebleven ruiters vluchten onbesuisd over de geul. Deze gebeurtenis echter, beïnvloedde het moraal van de bondgenoten niet, het maakte ze juist woedend en ze waren nu nog meer vastberaden om de moslims te terroriseren. Ondertussen begonnen de fanatiekelingen van Banoe Qoeraydah hun forten te verlaten en gingen Medina binnen, dit met het doel om de dichtstbijzijnde huizen te terroriseren. Kwelling, angst en terreur intensiveerde binnen de wijken van de moslims maar de Boodschapper van Allah (saw) was altijd verzekerd dat Allah (saw) hen de overwinning zou schenken. Steun kwam van Noe’aym ibn Mas’oed, hij had Islam al geaccepteerd hoewel zijn eigen volk dit niet wist en hij kwam naar de Boodschapper van Allah (saw). Noe’aym stelde een manier voor aan de Boodschapper van Allah (saw) welke de coalitie kon breken. Dus ging Noe’aym naar Banoe Qoerayda waar hij goede vrienden mee was geworden in de dagen van djahiliyya en herinnerde hen aan zijn affectie en de speciale banden die bestonden tussen hen. Noe’aym vertelde Banoe Qoerayda wat hun lot zou zijn als Ghatafan en de Qoeraisj hen alleen zouden laten om Moehammad (saw) alleen te confronteren. Hij benadrukte dat de Qoeraisj en Ghatafan het niet konden opbrengen om voor een lange tijd te wachten want ze waren geen inwoners van dat gebied. Hij vertelde hen dat als ze alleen werden gelaten om Moehammad te confronteren ze niet in staat waren dit te kunnen doen. Uiteindelijk, stelde hij hen voor om niet naast de bondgenoten te vechten totdat ze gijzelaars onder hun leiders namen zodat ze in hun handen zouden blijven om zeker te stellen dat Ghatafan en de Qoeraisj zouden blijven. Alleen dan zouden ze Moehammad (saw) bevechten met hun bondgenoten totdat ze een einde aan hem zouden maken. De Qoerayda vonden dit een uitstekend advies. Noe’aym ging vervolgens naar de Qoeraisj en vertelde hen dat de Joden van Qoerayda spijt hadden van hun actie tegen Moehammad en bezig waren hun tekortkoming te corrigeren. Hij stelde dat ze zich aan het voorbereiden waren om het goed te maken met hem door enkele leiders de twee stammen van de Qoeraisj en Ghatafan van over te leveren zodat ze hun konden onthoofden. Hij zei tegen hen: “Dus als de joden gijzelaars eisen, zend dan geen enkele man.” Daarna ging hij naar Ghatafan en vertelde hen hetzelfde verhaal dat hij de Qoeraisj vertelde. De verdenking van de Arabieren omtrent de joden groeide en Aboe Soefyan zond (een bericht) naar Ka’ab hem informerende dat ze Moehammad (saw) al voor een lange tijd aan het belegeren waren en dat ze zich moesten klaar maken voor de strijd op de volgende dag. Ka’ab antwoordde dat het de Sabbat was, een dag waarop ze niets deden, geen vechten en geen werk. Aboe Soefyan was woedend en begon te geloven wat Noe’aym hem had verteld. Hij zond een gezant terug naar de Qoerayda om hen te vertellen een andere Sabbat te nemen dan deze want het was essentieel om Moehammad de volgende dag te bevechten. De gezant vertelde de Qoerayda dat als de Qoeraisj en Ghatafan alleen zouden vechten, hun coalitie gebroken zou zijn en dat ze uiteindelijk Moehammad alleen zouden bevechten. Toen de Qoerayda hoorden van Aboe Soefyan’s commentaar verlieten ze hun standpunt dat ze de Sabbat niet zouden overtreden en vermelden de gijzelaars die ze wilden hebben als borg. Toen Aboe Soefyan dit hoorde had hij geen twijfel meer over wat Noe’aym hem vertelde. Hij begon een nieuwe strategie te bedenken en hij deed dit alleen met Ghatafan om uit te vinden of ze bedenkingen hadden over het bevechten van Moehammad (saw). Die nacht zond Allah (swt) een bittere wind en een donderlijke storm wat hun tenten omwierp en hun kookpotten deed omkantelen. Ze waren in paniek en dachten dat de moslims de kans zouden grijpen om de aanval tegen hen in te zetten, dus stond Toelayha op en schreeuwde: “Moehammad is gekomen voor jullie, dus ren voor jullie levens”. Aboe Soefyan zei: “O Qoeraisj! Wees weg want ik ben gaande.” Dus grepen ze haastig alles wat ze konden dragen en vluchtten. Ghatafan en de rest van de bondgenoten deden hetzelfde. In de ochtend waren ze allen vertrokken. Toen de Boodschapper van Allah (saw) dit zag verlieten hij (saw) en de moslims de geul en keerden ze terug naar Medina. Allah (swt) heeft de moslims het vechten bespaard. Nu dat de Boodschapper van Allah (saw) zich had ontdaan van de Qoeraisj besloot hij voor eens en altijd af te rekenen met Banoe Qoerayda. Zij waren het die hun verbond hadden verbroken en hadden samengespannen met de bondgenoten om al de moslims te vernietigen, daarom beval de Boodschapper van Allah (saw) de Moe’adhin (de oproeper tot het gebed) om de mensen te informeren dat wie gehoorzaam was, niet het ochtendgebed zou verrichten totdat ze de locatie hadden bereikt waar Banoe Qoerayda zich bevond. De Boodschapper van Allah (saw) zond ‘Ali voorwaarts met zijn banier en de moslims haastten ernaar in vreugde en ijver totdat ze Banoe Qoerayda bereikten waarop ze hen 25 nachten lang belegerden. De joden zeiden tegen de Boodschapper van Allah (saw) dat ze met hem wilden onderhandelen. Na vele onderhandelingen namen ze de arbitrage van Sa’d ibn Moe’adh aan en hij gaf het oordeel dat: “De mannen moeten worden gedood, de bezittingen moeten worden verdeeld en de vrouwen en kinderen moeten worden genomen als Sabaya (slaven).” Het oordeel werd geïmplementeerd en dus hield de entiteit van de stam op te bestaan en Medina was voor eens en altijd van hen ontdaan. De nederlaag van de bondgenoten markeerde een einde van elke serieuze poging door de Qoeriasj om de Boodschapper van Allah (saw) te confronteren en de vernietiging van Banoe Qoerayda betekende dat alle drie de joodse stammen, die oorspronkelijk rond Medina woonden en verbonden hadden met de Boodschapper van Allah (saw) (die elk op z’n beurt het haddeb verbroken) er niet meer waren. Dit betekende dat de heerschappij van Allah’s Boodschapper (saw) en de moslims over Medina absoluut was en als resultaat waren de Arabieren nog nooit zo gealarmeerd over de moslims.

Afdrukken