De Rechtspraak aangaande de Interne Verdeeldheid

De moslims, overtroffen in aantal en slecht gewapend, gingen de oorlog aan met de Qoeraisj en overwonnen hen in hun eerste gevecht, het gevecht van Badr. De resultaten van deze overwinning shockeerde de Qoeraisj zo heftig dat zij bijna hun verstand verloren. De overwinning van de moslims op de niet-moslims hielp om alle joodse complotten, plannen en burgerconflicten in Medina neer te slaan met als direct gevolg dat sommige joden gedwongen werden om een vredesovereenkomst te tekenen en anderen werden verbannen van Medina. De macht van de moslims nam toe, maar de Qoeraisj rustten nooit en verspilden geen tijd in de voorbereiding op wraak. In het gevecht van Oehoed, het volgende jaar, hadden de Qoeraisj hun wraak toen de Moslim scherpschutters die de ruggen van de Moedjahidien verdedigden, ongehoorzaam aan de instructies van de leider waren in hun haast om de oorlogsbuit te verzamelen. De Qoerasj waren verrukt en de moslims keerden gebroken en verslagen terug naar Medina, ondanks het feit dat zij na het gevecht de achtervolging hadden ingezet op Hamra’ al Asad (tot ongeveer acht mijl van Mekka). De nederlaag van de moslims had verschillende gevolgen. De autoriteit van de moslims leek ondermijnd te worden, en dit leidde tot opruiing door groepen binnen Medina. Veel stammen buiten Medina die voor Oehoed nooit over de streep durfden te gaan, lieten ook tekenen van opstand zien. De Arabieren die buiten Medina leefden begonen te denken aan het uitdagen van Moehammad (saw), eveneens de joden en de hypocrieten die binnen Medina leefden en zij begonnen de moslims te provoceren. De Boodschapper van Allah (saw) was gretig om te leren over de intriges van zijn vijanden binnen en buiten Medina om hen tegen te werken. Hij (saw) richtte zich ook op het herstel van de status, prestige en macht van de moslims door elke poging om hen te kleineren of pijn te doen neer te slaan. Een maand na het gevecht van Oehoed kreeg de Boodschapper van Allah (saw) te horen dat Banoe Asad Medina wilde overvallen en de veekuddes die rond de stad grazen, wilden plunderen. Dus besloot Allah’s Boodschapper (saw) Banoe Asad te overvallen in hun vestigingsplaats voordat ze een kans zouden krijgen om Medina te overvallen. Dit zou een preventieve slag zijn. Hij (saw) riep Aboe Salmah ibn ‘Abd al Asad op en stelde hem aan als het hoofd van een expeditie van 150 strijders waaronder een groot aantal van de beste moslimstrijders zoals Aboe Oebaydah ibn Djarrah, Sa’d ibn Abi Waqqas, Oesaid ibn Hoedayr en anderen. Om hun missie geheim te houden en het verrassingseffect te behouden, beval Allah’s Boodschapper (saw) hen om in de nacht te reizen en overdag zich te verbergen, terwijl ze andere routes namen dan die gewoonlijk werden genomen door reizigers. Aboe Salmah reisde totdat hij Banoe Asad bereikte. Hij en zijn mannen omsingelden hen bij dageraad en vielen hen aan terwijl hij zijn manschappen opriep tot djihaad. Al snel versloegen zij Banoe Asad, namen hun rijkdommen als buit en keerden met de zege en trots terug naar Medina, dus hervestigden de moslims hun macht en herinnerden iedereen van de grootsheid en autoriteit van Islam. Het nieuws bereikte de Boodschapper van Allah (saw) ook dat Khalid ibn Soefyan al Hodhali zijn kamp had opgezet in ‘Oernah of Nakhlah, terwijl hij mensen rekrutereerde en verzamelde om Medina aan te vallen. Dus hij (saw) riep ‘Abdoellah ibn Anies op en zond hem op een verkenning om nieuws te vergaren over Khalid’s bewegingen. ‘Abdoellah vertrok en al snel ontmoette hij Khalid die hem vroeg: “Wie is de man?” Hij zei: “Aboellah. Ik ben een Arabier die heeft gehoord dat jij mensen aan het verzamelen was om Moehammad te bevechten en dat is de reden waarom ik hier ben.” Khalid bekende dat hij mensen aan het rekruteren was om Medina aan te vallen. Ze liepen een tijdje en ze praatten, toen ze in de afwezigheid waren van andere mensen, greep ‘Abdoellah de kans en trok zijn zwaard en gaf hem een fatale slag. Hij keerde terug naar Medina en informeerde de Boodschapper van Allah (saw) over zijn onderneming. Met de dood van Khalid, verliet Banoe Lihyan van Hadhayl hun plan om Medina aan te vallen. De Boodschapper van Allah (saw) was daarom succesvol in het neutraliseren en het verwijderen van Khalid’s dreiging en de dreiging van vele andere groepen die in opstand wilden komen tegen Medina. Echter, deze activiteiten stopten niet dat sommige Arabieren hun minachting jegens de autoriteit van de moslims toonden, door de slag van Oehoed. Een groep mensen van een naburige stam van Hadhayl kwam naar Medina en vertelde de Boodschapper van Allah (saw) dat ze graag wilden leren over Islam en vroegen hem om een groep van zijn Sahabah te zenden om hen te leren over Islam en de Koran te lezen. Hij (saw) beval zes van zijn volwassen Sahabah om hen te vergezellen. Ze vertrokken totdat ze de putten van Hadhayl bereikten in een plaats genaamd al Radji’. De mannen verraden de Sahabah en riepen de mensen van Hadhayl tegen hen op. De zes moslims waren verrast en waren omsingeld door Hadhayl die hen begon aan te vallen. De moslims trokken hun zwaarden en vochten totdat drie van hen werden gedood en de andere drie gaven zich over en werden gevangen genomen. Hadhayl nam de drie gevangen naar Mekka om hen te verkopen aan de Qoeraisj. Op hun weg naar Mekka greep een van de gevangenen ‘Abdoellah ibn Tariq de kans en ontsnapte. Het lukte hem om zijn zwaard te pakken te krijgen om te vechten, maar al snel werd hij overmeesterd en gedood. De andere twee gevangenen werden uiteindelijk verkocht in Mekka. Eén van hen, Zayud ibn al Dathna, was gekocht door Safwan ibn Oemayyah om hem te vermoorden als wraak voor zijn vader Oemayyah ibn Khalaf. Toen Zayd naar voren werd gebracht om gedood te worden vroeg Aboe Soefyan hem: “Ik bezweer jou bij Allah, Zayd, zou je niet wensen dat Moehammad (saw) nu met ons was om jou plaats in te nemen en dat we zijn hoofd eraf zouden hakken en dat jij nu samen was met jouw familie?” Zayd antwoordde: “Bij Allah, ik wens niet dat Moehammad (saw) nu in mijn plaats zou staan en een doorn hem pijn zou doen en dat ik thuis zou zitten met mijn familie.” Aboe Soefyan was verbaasd en zei: “Ik heb nog nooit een man gezien die zo geliefd wordt zoals Moehammad door zijn metgezellen geliefd wordt.” Kort daarna werd Zayd gedood. Khoebayb, de tweede metgezel die naar was Mekka gebracht werd gevangen genomen totdat ze hem naar voren brachten om gekruisigd te worden. Hij vroeg hen de tijd om een paar Raka’at te verrichten en ze stemden hiermee in. Hij deed zijn salaat op een perfecte manier en keerde naar de mensen en zei: “Ware het niet dat jullie zouden denken dat ik het uitstelde alsof ik bang zou zijn voor de dood, zou ik mijn gebed hebben verlengd.” Daarna hesen ze hem omhoog aan het hout en toen ze dat hadden gedaan bonden ze hem vast, hij keek kwaad naar hen en schreeuwde: “O Allah! Vernietig hen allemaal één voor één. Laat geen van hen ontsnappen.” De aanwezigen huiverde van zijn schreeuw waarna ze hem doodden. De Boodschapper van Allah (saw) had veel verdriet door de dood van zijn zes metgezellen. Wat de moslims nog verdrietiger maakte was de manier waarop Hadhayl zijn minachting en onverschilligheid jegens hun metgezellen toonde. De Boodschapper van Allah (saw) dacht lang en hard na over deze kwesties en het was op het moment dat hij in diepe gedachten verkeerde toen een man genaamd Aboe Bara’ ‘Amir ibn Malik (de ‘Speler van de Speren’) in Medina arriveerde. De Boodschapper van Allah (saw) legde hem Islam uit en nodigde hem uit het te accepteren. Hij wilde zich niet onderwerpen maar hij was niet ver van Islam en heeft nooit tekens van vijandigheid jegens de dien getoond. Hij vertelde de Profeet (saw): “Als jullie sommigen van jullie metgezellen naar het volk van Nadjd zouden zenden en hen uit zouden nodigen, heb ik een goede hoop dat ze jullie een gunstig antwoord zullen geven.” Allah’s Boodschapper (saw) vreesde dat zijn metgezellen zouden worden gedood door het volk van Nadjd zoals degenen die waren verraden door Hadhayl. Dus hij besloot de wens van Aboe Bara’ niet te vervullen. Echter, Aboe Bara’ wist hem te overtuigen, doordat hij hen voor alle zekerheid zou vergezellen en zei: “Zend ze om mensen tot jouw dien uit te nodigen, ik zal ze beschermen.” Aboe Bara’ was een man met een goede reputatie, zijn woorden hadden aanzien, een man die zou worden beschermd door hem zou geen vrees voor verraad hoeven te hebben. Dus zond de Boodschapper van Allah (saw) al Moendhir ibn ‘Amr met veertig van zijn metgezellen waaronder de besten van de moslims. Ze vertrokken totdat ze de put van Ma’oena bereikten, van daar zonden ze een boodschapper met een brief van de boodschapper van Allah (saw) tot ‘Amier ibn Toefayl. Toen de boodschapper hem bereikte haastte hij zich om hem te doden nog alvorens hij de brief had bekeken, daarna riep hij Banoe ‘Aamir op om tegen de moslims te vechten, maar ze weigerden te doen wat hij wilde, zeggende dat ze niet de belofte van veiligheid wilden verbreken die Aboe Bara’ had gegeven aan de moslims. Toen deed ‘Aamir een beroep op andere stammen en ze omsingelden de moslims terwijl ze met hun kamelen waren. Na dit gezien te hebben, trokken de moslims hun zwaarden en vochten ze tot de laatste man. Allen werden ze gedood behalve twee. De Boodschapper van Allah (saw) was hierdoor erg betreurd en zo waren ook al de moslims hevig geshockeerd. De Boodschapper van Allah (saw) dacht lang en hard na over hoe hij af zou rekenen met degenen die hem en zijn metgezellen verraadden, en hoe hij de waardigheid en het aanzien van de moslims weer opnieuw kon herstellen. Hij (saw) realiseerde zich echter dat Medina zelf was getroffen dus probeerde hij eerst de interne verstoringen te verhelpen. Toen hij dit eenmaal had bereikt en de stabiliteit in Medina was teruggekeerd, keerde hij zich tot de Arabieren en andere externe kwesties. De slag van Oehoed samen met de gebeurtenissen van Radji’ en Beer Ma’oena ondermijnde wederom de autoriteit en het aanzien van de moslims in de ogen van de hypocrieten en de joden. Ze begonnen te complotteren tegen de Boodschapper van Allah (saw) en ze wachtten op een geschikte kans om met hem af te rekenen. De Boodschapper van Allah (saw) ging geleidelijk hun intenties na totdat hij (saw) het voor elkaar kreeg kennis te krijgen van hun samenzweringen. Toen zond hij (saw) Moehammad ibn Maslama naar hen en hij zei: “De Boodschapper van Allah (saw) zond mij om jullie te vertellen dat jullie dit land moeten verlaten, want jullie hebben de eed gebroken die hij met jullie had gemaakt door jullie poging hem te verraden. Jullie hebben tien dagen om te vertrekken. Wie dan hierna nog hier gezien wordt, zijn nek zal eraf worden geslagen!” Banoe Nadir zou zijn vertrokken als ‘Abdoellah ibn Oebayy hen niet had overtuigd te blijven, ook Hoeyayy ibn Akhtab moedigde hen aan in hun forten te blijven. De tien dagen verliepen en Banoe Nadir bleef in hun huizen dus bevocht Allah’s Boodschapper (saw) hen totdat ze hem vroegen hun leven te sparen onder voorwaarde dat ze al hun bezittingen mochten meenemen die ze konden dragen op hun kamelen. Uiteindelijk gingen ze weg, alles wat ze bezaten van hun landen, palmbomen en pantser achterlatend. De Boodschapper van Allah (saw) verdeelde hun bezittingen onder de Moehadjirien met uitzondering van de Ansaar, behalve twee mannen die Aboe Doedjanah en Sahal ibn Hanif heetten en klaagden over armoede. Door het wegsturen van Banoe Nadir, lukte het de Boodschapper van Allah (saw) de interne onrust te beteugelen en de waardigheid en hoge status van de moslims te herstellen. Om terug te komen op het buitenlands beleid, hield de Boodschapper van Allah (saw) zijn afspraak met de Qoeraisj voor de laatste slag bij Badr, maar de Qoeraisj ontmoetten hem niet op die plek. Dit was een jaar na Oehoed en Allah’s Boodschapper (saw) onthield wat Aboe Soefyan had gezegd: “Vandaag in ruil voor de dag van Badr; onze ontmoetingsplek is Badr in het volgende jaar.” Hij (saw) begreep het belang van de ontmoeting tussen hem en Aboe Soefyan dus bereidde hij (saw) de moslims voor op de strijd. Hij (saw) stelde ‘Abdoellah ibn ‘Abdoellah ibn Saloel aan het hoofd van Medina en vertrok met de moslims totdat ze Badr bereikten. Ze zetten een kamp op wachtende op de Qoeraisj, klaar om met hen de strijd aan te gaan. De Qoeraisj, met aan het hoofd Aboe Soefyan verlieten Mekka met meer dan 2000 man maar keerden snel daarna terug. De Boodschapper van Allah (saw) bleef in Badr voor acht opeenvolgende dagen wachtend op de Qoeraisj maar ze kwamen nooit opdagen. Uiteindelijk bereikte het nieuws hem dat de Qoeraisj waren teruggekeerd naar Mekka. Dus reisde hij (saw) terug met de moslims naar Medina na wat gunstige winsten behaald te hebben door hun handel in Badr. De moslims keerden zegevierend terug ongeacht het feit dat er geen gevecht had plaatsgevonden. Vlak daarna, viel de Boodschapper van Allah (saw) Ghatafan aan in Nadjd, waarna zij vluchtten terwijl ze hun bezittingen en vrouwen achterlieten. De moslims confisquerden deze en keerden terug naar Medina. Daarna viel hij (saw) Doemat al Djandal aan op de grens tussen as Sjaam en Hidjaaz. Dit was een les en een waarschuwing voor de andere stammen die altijd de karavanen aanvielen. Maar Doemat al Djandal confronteerde hem (saw) nooit, ze vluchtten gewoon in vrees, hun bezittingen achterlatend die de moslims tevens innamen waarna zij vervolgens zegeveriend terugkeerden naar Medina. Deze aanvallen en maatregelen genomen door de Boodschapper van Allah (saw) thuis in Medina, hielpen om de autoriteit van de Islamitische Staat te herstellen en verzekerde haar grootsheid in de ogen van de Arabieren en de joden. De effecten van de nederlaag bij Oehoed waren aldus compleet uitgewist.

Afdrukken