De Tweede Eed van al ‘Aqabah

De eerste eed van al ‘Aqabah was een goede zaak en een zegen. Dit omdat ondanks het kleine aantal van degenen die Islam hadden omarmd, de inspanningen van één metgezel van de Boodschapper van Allah (swt) genaamd Moes’ab ibn ‘Oemayr, genoeg was om hen te leiden om Medina te veranderen en de bestaande ideeën en emoties binnen haar samenleving te transformeren. En ondanks het relatief grote aantal van degenen die Islam in Mekka omarmden, bleven de mensen veelal vervreemd van hen, omdat de groepen niet de oproep tot Islam beantwoordden, en de samenleving niet beïnvloed was door de Islamitische ideeën en emoties. Daarentegen, omarmden de meerderheid van de mensen in Medina Islam, Islam had een impact op het collectieve hart van de Medinische samenleving, en hun ideeën en emoties werden radicaal getransformeerd. Dit laat duidelijk zien dat wanneer individuen die Islam omarmen vervreemd blijven van de samenleving en alle mensen, een impact binnen de samenleving niet tot stand komt, noch binnen de meerderheid van de mensen, ongeacht hoe sterk het geloof van deze individuen is. Het laat ook zien dat als de bestaande relaties tussen mensen zijn beïnvloed door ideeën en emoties, ze zullen leiden naar de gewenste transformatie en ze zullen veranderen ongeacht hoe klein het aantal van de overbrengers van de boodschap is. Dit bewijst ook dat wanneer de samenleving volhardt in ongeloof, zoals het geval was in de Mekkaanse samenleving, het moeilijker wordt om een samenleving te transformeren dan een samenleving waar dergelijke verkeerde begrippen niet dominant zijn, zoals het geval was in de Medinische samenleving, zelfs als dergelijke begrippen aanwezig waren.

Daarom werd de Medinische samenleving meer beïnvloed door Islam dan de Mekkaanse samenleving. Mensen in Medina voelden de valsheid van de ideeën die ze droegen en ze zochten naar andere ideeën en een andere manier van leven. Daarentegen was de Mekkaanse samenleving tevreden met haar stand van zaken en gretig om deze te behouden, vooral de leiders van ongeloof zoals Aboe Lahab, Aboe Djahl en Aboe Soefyan. Dat is waarom het Moes’ab ibn ‘Oemayr maar een korte tijd kostte voor de reactie op de da'wah, hij bleef de mensen oproepen tot Islam en cultiveerde hen met een andere cultuur met de bijbehorende ideeën en regels, hij voelde snel de reactie en getuigde van de bereidheid van mensen om Islam te accepteren en hun enthousiasme om te leren en kennis te vergaren over de regels van Islam, en dit verblijdde hem; hij aanschouwde het aantal moslims dat groeide en Islam verspreidde, en dit moedigde hem aan om zijn inspanningen in de da'wah te vergroten.

Toen het seizoen van hadj aanbrak, keerde hij terug naar Mekka en rapporteerde aan de Boodschapper van Allah (saw) een verslag over de moslims in Medina, hun groeiende macht en over Islam en zijn snelle spreiding, de status van de Medinische samenleving beschrijvend en hoe mensen daar enkel praatten over Allah’s Boodschapper (saw), en hoe Islam een centrale rol heeft bezet. Moes’ab informeerde de Boodschapper van Allah (saw) over de kracht van de moslims en hun afschrikwekkende macht, die Islam tot de dominante kracht in Medina maakte. Tevens informeerde hij hem over sommige moslims wiens geloof sterker was geworden en wiens vastberadenheid om de Boodschap te dragen en de dien van Allah te beschermen, groter was geworden dan ooit, van plan waren om dat jaar naar Mekka te komen.

De Boodschapper van Allah (saw) was erg behaagd door het nieuws van Moes’ab. Hij begon lang en diep na te denken over deze kwestie en vergeleek de Mekkaanse gemeenschap met die van Medina. Hij (saw) had twaalf opeenvolgende jaren gespendeerd in Mekka om de mensen naar de dien van Allah te roepen, al zijn pogingen uitputtend, al zijn tijd eraan wijdend en elke poging pakkend, allerlei moeilijkheden tijdens het proces verdragend, lijdend en onderdrukt en ondanks dat was de Mekkaanse gemeenschap koppiger dan ooit. De da'wah kon niet door de meedogenloze en koude harten en ruwe gevoelens van de Mekkaanse mensen heen breken, wiens onbuigbare gedachtes het verleden niet wilden verlaten.

De Mekkaanse gemeenschap was hard en haar openheid jegens de da'wah was afwezig door het diepgewortelde idolate polytheïsme in de harten van haar mensen, want Mekka was het hoofdcentrum van sjirk. In Medina waren de zaken anders. Er was nauwelijks één jaar verstreken sinds de tijd dat er een groep van de Khazradj de Islam hadden omarmd en de eerste eed van al ‘Aqabah plaatsvond. Toen kwam de inspanning van Moes’ab ibn ‘Oemayr het jaar daarna en dit was genoeg om een Islamitische sfeer in Medina te genereren en om een weg te banen voor de mensen om Islam te omarmen in verbazingwekkend grote getale. De Boodschap van Allah in Mekka stopte met diegenen die Islam hadden omarmd, met de vervolging en onderdrukking op hen toegediend door de Qoeraisj. In Medina, daarentegen, had Islam zich snel verspreidt. De moslims leden daar niet aan vervolging van de joden en de ongelovigen. Dit hielp Islam om diepgeworteld te raken in de harten van de mensen en een weg te banen voor de moslims.

Daarom werd het de Boodschapper van Allah (saw) duidelijk dat Medina de bron van licht zou worden vanwaar Islam’s ‘aqiedah en systeem zouden gaan schijnen. Hij (saw) dacht er daarom aan om te emigreren naar Medina en dat zijn Sahabah zich met hun broeders daar zouden verenigen, om een toevluchtsoord en veiligheid te vinden en om zich te ontdoen van de vervolgingen en martelingen die de Qoeraisj hen toedienden. Dit zou hen de mogelijkheid bieden om zichzelf te concentreren op de da'wah en vooruit te bewegen naar haar praktische fase, welke het implementeren van Islam is en het dragen van De Boodschap met de macht en autoriteit van de Islamitische Staat. Dit was de enige reden voor de emigratie.

Het is het waard te vermelden dat de Boodschapper van Allah (saw) nooit aan emigratie van Mekka dacht wegens de obstakels die de da'wah tegenkwam, zonder standvastig te blijven en te volharden en zonder inspanning om deze obstakels te overmeesteren. Hij (saw) volhardde tien jaar in Mekka, altijd zijn gedachten concentrerend op de da'wah. Hij (saw) en zijn volgelingen verdroegen allerlei soorten gruwel en vervolging op de weg van de da'wah. De mishandeling en het verzet van de Qoeraisj verzwakten hem nooit in zijn vastberadenheid en besluit, integendeel, zijn geloof in de Boodschap die hij bracht van zijn Heer bracht hem tot nieuwe hoogtes. En de zekerheid van Allah’s hulp maakte hem nog meer standvastig en resoluut. Desondanks realiseerde hij (saw) zich na deze pogingen hoe hard en koppig de Mekkaanse gemeenschap was, hoe oppervlakkig van geest de mensen waren en hoe meedogenloos en ondoordacht ze waren. Dit betekende dat de kans op succes klein was en dat het dragen van de da'wah daar tijdverspilling was. Het werd nodig om weg te gaan van een dergelijke gemeenschap en een andere te zoeken. Hij dacht daarom aan emigratie uit Mekka en dit was de enige reden om naar Medina te gaan, niet wegens de ontbering, noch de vervolging.

De Boodschapper van Allah (saw) had zijn Sahabah bevolen om te emigreren naar Abysinnië om de vervolging te ontvluchten, want het is toegestaan voor gelovigen om plaatsen van kwelling te ontvluchten indien zij worden vervolgd wegens hun dien, hoewel het ondergaan van martelingen de imaan versterkt en de onderdrukking iemands trouw laat toenemen en de weerstand en vastberadenheid doet verscherpen. imaan helpt de gelovige om alle moeilijkheden te verkleinen en om hun rijkdom, eer, gemoedsrust en zelfs hun levens op te offeren. En hoewel het geloof in Allah (swt) ervoor zorgt dat de gelovigen hun leven vrijwillig op Zijn weg willen geven, zou onverminderde agressie en de continuïteit van offers ervoor zorgen dat de gelovige uitgeput raakt. Dit is zo omdat zijn inspanningen afgeleid zouden zijn door het volharden en verzetten tegen de schade die hen toegediend wordt, en niet voor het mobiliseren van zijn inspanningen in de da'wah en zijn horizon te verbredend zodat hij diep na kan denken over de oprechtheid van zijn geloof. Het was om deze reden dat de Moslim geen ander alternatief had dan te emigreren van de plaatsen waar de kwelling overheerste. Dit was aan de orde toen ze naar Abessinië emigreerden.

Echter, hun latere emigratie naar Medina werd gedreven door verschillende redenen. Ze wilden verhuizen met de Boodschap en het tot leven brengen door het te implementeren in een maatschappij, hun nieuwe maatschappij, en haar van daaruit naar de wereld verspreiden. Het is alleen in deze context dat de Boodschapper van Allah (saw) nadacht om zijn Sahabah naar Medina te laten emigreren. Maar voordat hij besloot om hen daar te vergezellen moest hij eerst de pelgrims ontmoeten die van die locatie zouden komen en spreken met de moslims onder hen, om hun bereidheid om de da'wah te beschermen te bepalen en om te kijken hoe ver zij bereid waren om zichzelf op te offeren op de weg van Islam. Hij (saw) moest zeker weten dat zij bereid waren om hem de eed van oorlog te geven, een eed van gevecht welke een hoeksteen van de Islamitische Staat zou vormen.

Dus de Boodschapper van Allah (saw) wachtte op de pelgrims. Dit was het twaalfde jaar van de Boodschap in 622 GJ. Er waren veel pelgrims, onder hen waren 75 moslims (73 mannen en 2 vrouwen). Eén van de vrouwen was Noesaybah bint Ka’ab Oem ‘Amarah van Banoe Mazin ibn an Nadjar en de andere was Asma’ bint ‘Amr ibn ‘Adi van Banoe Salamah, ook wel Oem Mani’ genoemd.

De Boodschapper van Allah (saw) ontmoette de Moslim pelgrims in het geheim en sprak met hen over een tweede eed, welke niet enkel het dragen van de da'wah en het volharden tegen agressie behelsde. Het zou een eed zijn die verder gaat dan dat, een eed met ver strekkende consequenties. Het zou een eed zijn die het vormen van een macht inhield, die in staat zou zijn om de moslims te verdedigen en een kern te vormen, die zou dienen als de hoeksteen op welke de funderingen van een staat gebouwd zouden worden met de macht om het te beschermen; een macht die alle materiële obstakels zou verwijderen die in de weg stonden van de Boodschap en haar implementatie.

De Boodschapper van Allah (saw) sprak met hen over de eed en voelde hun bereidheid. Ze gingen akkoord om hem te ontmoeten bij al ‘Aqabah gedurende de dagen van tasjrieq. Hij (saw) zei tegen hen: “Maak niemand wakker, en wacht niet op iemand die absent is”. Toen een derde van de nacht voorbijgegaan was gingen zij in het geheim naar hun afspraak met de Boodschapper van Allah (saw) bij al ‘Aqabah. De twee vrouwen bevonden zich ook onder hen. Zij wachtten op Allah’s Boodschapper (saw) totdat hij bij hen kwam met zijn oom al ‘Abbas, die in die tijd een ongelovige was, hoewel hij zijn neef een goede garantie wilde geven. Hij was de eerste die zou spreken en hij zei: “O mensen van Khazradj! Jullie weten wat de positie van Moehammad is onder ons. We hebben hem beschermd van onze eigen mensen die over hem denken zoals wij doen. Hij leeft in eer en veiligheid onder zijn mensen, maar hij besloot om tot jullie te keren en jullie te vergezellen; dus als jullie denken dat jullie trouw kunnen zijn aan wat jullie hem hebben beloofd en hem beschermen tegen zijn tegenstanders, neem dan de last aan die jullie hebben ondernomen. Maar als jullie denken dat jullie hem zullen verraden en verlaten nadat hij met jullie is gegaan, laat hem dan nu.” Zij antwoordden: “We hebben gehoord wat u zegt. Spreek nu oh Boodschapper van Allah en kies voor uzelf en uw Heer wat u wilt”. De Boodschapper van Allah (saw) sprak nadat hij de Koran had gereciteerd en Islam had aanbevolen, hij zei: “Ik verzoek jullie trouw op de basis dat jullie me beschermen zoals jullie, jullie vrouwen en kinderen zouden beschermen”. Al Bara’ nam zijn hand om de eed te geven en zei: “Wij geven onze trouw oh Boodschapper van Allah, bij Allah wij zijn mensen van oorlog en wapens die doorgegeven zijn van vader tot zoon”.

Toen al Bara’ aan het spreken was onderbrak Aboe al Haytham ibn at Tayhan hem en zei: “O Boodschapper van Allah, we hebben banden met de andere mensen (de joden) en als wij deze band met hen verbreken, als wij dat zouden doen en Allah u de overwinning heeft gegeven, zou u dan terugkeren naar uw mensen en ons verlaten?” De Boodschapper van Allah (saw) lachte en zei: “Nee, jullie bloed is mijn bloed en wat heilig is voor jullie is heilig voor mij; ik ben van jullie en jullie zijn van mij; ik zal vechten tegen diegenen die jullie bevechten en vrede hebben met diegenen die vrede hebben met jullie”. Al ‘Abbas ibn ‘Oebada onderbrak en zei: “O mensen van Khazradj! Realiseren jullie waar jullie julliezelf aan verbinden in het zweren van steun aan deze man? Het betekent vechten tegen alles en iedereen. Als jullie denken dat als jullie, jullie bezittingen verliezen, en jullie edelen worden vermoord, jullie hen zouden opgeven, doe dit dan nu, want bij Allah het zou jullie schaamte in deze wereld en in de volgende brengen als jullie dat later zouden doen. Maar als jullie denken dat jullie loyaal zullen zijn aan jullie onderneming, zelfs wanneer jullie, jullie bezittingen verliezen en jullie edelen worden vermoord, neem hem dan, want bij Allah het zal jullie baten in deze wereld en in het Hiernamaals.” Ze zeiden dat ze de Boodschapper van Allah (saw) zouden accepteren onder deze voorwaarden en vroegen daarna: “Wat zit er in voor ons, O Boodschapper van Allah, in ruil voor onze loyaliteit?” Allah’s Boodschapper (saw) antwoordde zelfverzekerd: ”djennah.”

Ze strekten hun handen uit en hij (saw) strekte zijn hand uit en ze gaven een eed door te zeggen: “We beloven om te gehoorzamen in goedheid en in smart, in gemakkelijkheid en ontbering, en altijd de waarheid te spreken, en dat in Allah’s dienst we de censuur van niemand zullen vrezen.” Nadat ze hun eed hadden afgelegd zei Allah’s Boodschapper (saw): “Breng me twaalf leiders die de leiding hebben over de kwesties van de mensen.” Ze kwamen met negen van al Khazradj en drie van al Aws. Zo zei de Boodschapper van Allah (saw) tegen deze Noeqaba (leiders): ”Jullie zijn de beschermers van jullie volken zoals de metgezellen van ‘Isa, zoon van Maryam, verantwoordelijk bij hem waren terwijl ik verantwoordelijk ben voor mijn volk.” Ze gingen terug naar hun bedden en vervolgens terug naar hun karavaan en keerden terug naar Medina.

Hierna beval de Boodschapper van Allah (saw) de moslims in Mekka te emigreren naar Medina in kleine groepen, en zo begonnen ze te migreren, hetzij individueel of soms in kleine groepjes. De Qoeraisj hadden op dat moment gehoord van de eed en ze probeerden te voorkomen dat de moslims zouden emigreren. Ze kwamen tussen man en vrouw om de migratie te stoppen, maar de moslims gingen voort om Mekka voor Medina te verlaten, terwijl Allah’s Boodschapper (saw) achterbleef zonder aan iemand aan te geven of hij zou vertrekken of niet. Er waren tekenen, echter, dat hij (saw) ook zou vertrekken. Aboe Bakr bleef Allah’s Boodschapper (saw) toestemming vragen te emigreren totdat hij antwoordde: “Wees niet haastig, het is mogelijk dat Allah jou een metgezel zal schenken. “ Aboe Bakr wist toen dat Allah’s Boodschapper (saw) wilde emigreren.

De Qoeraisj waren erg bezorgd over de implicaties van de emigratie van Allah’s Boodschapper (saw), vooral nu de moslims in Medina groot in aantal waren en een meerderheid waren. Klaarblijkelijk, zou hun positie daar gesterkt worden door de emigratie van de moslims uit Mekka. De Qoeraisj realiseerden zich dat een andere, nog serieuzere potentiële dreiging voor hun, Allah’s Boodschapper (saw) was. Als hij (saw) zich bij hen zou voegen, en met de kracht die ze bezaten, zou dit het einde voor hun kunnen betekenen. Daarom dachten ze lang en hard na over de kwestie van het voorkomen dat Allah’s Boodschapper zou migreren naar Medina. De Qoeraisj begonnen te vrezen dat wanneer de moslims een kracht zouden worden waarmee rekening gehouden dient te worden, zij achter hen aan zouden komen en de Boodschapper van Allah (saw) zouden verdedigen en mocht hij beslissen om in Mekka te blijven. Met een dergelijk dilemma, welke hen confronteerde, besloten ze uiteindelijk om hem (saw) te doden om zo te voorkomen dat hij zich zou voegen bij de moslims in Medina en om al de toekomstige confrontaties met de mensen van Medina, Islam en Moehammad (saw) te voorkomen.

Het is overgeleverd in de boeken van sierah in de overlevering van ‘Aisja en Aboe Oemama ibn Sahm, dat toen de 73 mannen aanwezig bij al ‘Aqabah de Boodschapper van Allah (saw) verlieten, nadat ze hem de bescherming hadden gegeven en hun ondersteuning hadden belooft, de vervolgingen en beproevingen van de moslims in Mekka toenamen, omdat zij wilden vertrekken. De Qoeraisj vielen hen lastig, deden hen kwaad aan, en ze klaagden bij Allah’s Boodschapper (saw), die antwoordde: “Mij is het thuisland getoond, waar jullie naar zullen emigreren.”

Na een paar dagen verscheen hij (saw) zeer behaagd en zei: “Mij is verteld dat jullie kunnen emigreren naar Yahtrib (Medina), wie dan ook daar heen wilt gaan, kan dit doen.” Dus begonnen ze hun voorbereidingen te treffen om de stad te verlaten. Toen vertrokken ze in het gehiem in kleine groepjes terwijl de Boodschapper van Allah (saw) in Mekka bleef om te wachten op Allah’s (swt) toestemming om te emigreren. Aboe Bakr bleef Allah’s Boodschapper (saw) om toestemming te vragen om te emigreren, waarop hij (saw) zei: “Wees niet haastig, het zou kunnen dat Allah jou een metgezel zal schenken.” Aboe Bakr hoopte dat zijn metgezel Allah’s Boodschapper (saw) zelf zou zijn.

Toen de Qoeraisj over de emigratie van de Sahabah te horen kregen, en realiseerden dat Allah’s Boodschapper (saw) vastbesloten was hen te bevechten, verzamelden ze zich in hun raadskamer en na een klein debat besloten ze hem te vermoorden. Djibriel kwam naar de Boodschapper van Allah (saw) en beval hem niet te slapen in het bed waar hij gewoonlijk sliep. Hij (saw) sliep niet in zijn bed die nacht en Allah (swt) stond hem toe te emigreren.

De aanwezigheid van de macht van Islam in Medina, de bereidheid van de mensen om de Boodschapper van Allah (saw) te ontvangen, en de vestiging van de Islamitische Staat waren de enige redenen die hem (saw) aanspoorde te emigreren. Het zou compleet verkeerd zijn voor iemand om te concluderen of de geringste gedachte te hebben dat Moehammad (saw) uit Mekka emigreerde uit vrees dat de Qoeraisj hem zouden doden. Hij (saw) had nooit de kleinste overweging voor de onderdrukking en pijn die hem overkwam en hij zou met alle plezier zijn leven opofferen voor Islam. Dit is een feit. Zijn (saw) emigratie naar Medina was simpel wegens de onbaatzuchtige continuering van de da'wah en de noodzaak van het vestigen van de Islamitische staat; om dit doel te bevorderen. Het is duidelijk dat de Qoeraisj hadden besloten om hem te doden omdat ze bang waren voor zijn emigratie waar hij (saw) bescherming en macht zou krijgen, maar ondanks al hun inspanningen faalden de Qoeraisj om met hem af te rekenen. De emigratie werd het keerpunt in de geschiedenis van de da'wah, zoals de Qoeraisj vreesden. Ze bewoog van het stadium van het uitnodigen van mensen tot Islam naar het stadium van het vestigen van een Islamitische samenleving. Een staat geregeerd door Islamitische autoriteit, uitnodigend door middel van bewijzen en overtuiging en door de macht die haar zou beschermen van kwade en onderdrukkende machten.

Afdrukken