De Interactie van de da'wah

Het effect van de Islamitische boodschap op de Qoeraisj was vanzelfsprekend, want de Boodschapper van Allah (swt) ging de strijd aan en presenteerde zijn groep aan de Qoeraisj op een opvallende en uitdagende manier. Er werd geen ruimte gelaten om zijn implicaties op hen te betwijfelen. Bovendien omvatte de oproep zelf de strijd tegen de Qoeraisj en de Mekkaanse gemeenschap, want het was de oproep tot de Eenheid van Allah, om Hem alleen te aanbidden, om het aanbidden van idolen te verlaten en om van het decadente systeem waarin zij leefden, af te zien. Daarom was de oproep tegenstrijdig met de Qoeraisj, en het was onvermijdelijk omdat de Boodschapper van Allah (saw) hun denken in twijfel trok, hun goden belachelijk maakte, hun manier van leven bespotte en hun tirannieke gewoontes betreurde.

Als er een vers aan hem (saw) werd geopenbaard, confronteerde hij de Qoeraisj er openlijk mee. Hij reciteerde Allah’s woorden:

)إِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ مِنْ دُونِ اللَّهِ حَصَبُ جَهَنَّمَ أَنْتُمْ لَهَا وَارِدُونَ(

“Voorwaar, jullie en wat jullie naast Allah aanbidden zal brandstof zijn voor de Hel.” (Zie VBK, soerah al Anbiyaa 21, vers 98)

Hij (saw) viel relaties in de maatschappij hard aan, zoals riba:

)وَمَا ءَاتَيْتُمْ مِنْ رِبًا لِيَرْبُوَ فِي أَمْوَالِ النَّاسِ فَلَا يَرْبُو عِنْدَ اللَّهِ وَمَا ءَاتَيْتُمْ مِنْ زَكَاةٍ تُرِيدُونَ وَجْهَ اللَّهِ فَأُولَئِكَ هُمُ الْمُضْعِفُونَ(

“Wat jullie van eigendommen van de mensen gegeven hebben als rente om te vermeerderen: het vermeerdert niets bij Allah.” (VBK soerah ar Roem 30, vers 39)

En het bedriegen met de schalen:

)وَيْلٌ لِلْمُطَفِّفِينَ*الَّذِينَ إِذَا اكْتَالُوا عَلَى النَّاسِ يَسْتَوْفُونَ*وَإِذَا كَالُوهُمْ أَوْ وَزَنُوهُمْ يُخْسِرُونَ(

“Wee de zwendelaars! Degenen die wanneer zij mensen voor zich laten wegen de volle maat eisen. Maar wanneer zij voor anderen afmeten of voor hen afwegen, benadelen zij (hen).” (VBK soerah al Moetaffifien 83, vers 1-3)

Daarom confronteerden de Qoeraisj hem en begonnen ze tegen hem en zijn Sahabah te vechten. Dit trachtten ze te doen door middel van martelingen en door sancties en propaganda tegen hem persoonlijk en zijn dien te gebruiken. Hiertegenover viel hij (saw) hen aan door de strijd tegen hun verkeerde opvattingen en hun corrupte geloof te vernietigen, om zo de Boodschap van Islam te verspreiden volgens de weg die Allah (swt) verordend had. Hij (saw) nodigde de mensen openlijk uit tot Islam, zonder compromis en onderhandeling, ondanks alle verschillende manieren van vervolging van de Qoeraisj en ondanks het feit dat hij een weerloos figuur was met weinig hulp, zonder een bondgenoot en zonder materiële middelen en wapens. Hij (saw) was opvallend en uitdagend, nodigde uit tot de dien van Allah met grote vastbeslotenheid en geloof, negeerde al de ontberingen, zonder dat hij zijn zwakke toestand de overhand liet nemen, klaar om de kolossale lasten te doorstaan voor het belang van de Boodschap. Dit gaf hem de mogelijkheid om de obstakels die de Qoeraisj op zijn pad legden te overwinnen, die waren ontworpen om tussen hem en de mensen te komen.

De Boodschapper van Allah (saw) bereikte de mensen met succes en slaagde in het overbrengen van de Boodschap naar hen; ze aanvaardden Islam want de waarheid en de kracht van de rede versloeg de valsheid. Het licht van Islam begon te schijnen onder de Arabieren, veel meergodenaanbidders aanvaardden Islam, net als vele christenen en zelfs de leiders van de Qoeraisj begonnen te luisteren naar de Koran met verlangende harten.

At Toefayl ibn ‘Amr al Dawsi kwam naar Mekka toen Allah’s Boodschapper (saw) daar was. Hij was een belangrijk en nobel man, erg intelligent en een poëet van enige kennis. De Qoeraisj benaderden hem onmiddellijk en waarschuwden hem dat deze man Moehammad (saw) hen veel slechts had aangedaan, dat hij een tovenaar was en zijn spraak mensen van hun families deed scheiden. Ze riepen uit dat ze vreesden dat hij hetzelfde effect op hem zou kunnen hebben en adviseerden hem niet met Moehammad (saw) te praten of te luisteren naar een woord van wat hij te zeggen had. Al Toefayl ging op een dag naar de Ka’bah terwijl Allah’s Boodschapper (saw) daar aanwezig was. Hij luisterde naar een aantal van zijn uitspraken en vond het prachtig, zo zei hij tegen zichzelf: ”Bij Allah! Hier sta ik, een intelligente man, een poëet die perfect weet wat het verschil is tussen goed en slecht, dus wat kan mij ervan weerhouden om te luisteren wat deze man zegt? Als het goed is zal ik het accepteren en als het slecht is zal ik het verwerpen.” Hij volgde de Boodschapper van Allah (saw) naar zijn huis en vertelde hem over zichzelf en wat hij ervan vond. Zo nodigde Allah’s Boodschapper (saw) hem uit tot Islam en reciteerde hem de Koran. Hij werd een Moslim en verklaarde dat het de waarheid was. Toen ging hij terug naar zijn volk en zette de oproep tot Islam aan hen voort.

Terwijl de Boodschapper van Allah (saw) in Mekka was, reisden twintig christenen om hem te ontmoeten nadat ze nieuws over hem hadden ontvangen. Ze zaten en luisterden naar hem, aanvaardden hem en geloofden in hem en verklaarden dat hij de waarheid sprak. Dit maakte de Qoeraisj woedend en later onderschepten ze hen terwijl ze Mekka verlieten. Ze beledigden, zeggend: “Moge Allah jullie schade aanbrengen! Wat een ellendige groep zijn jullie. Jullie mensen thuis zonden jullie om informatie te brengen over deze man, en zodra jullie met hem zaten, zweerden jullie, jullie geloof af en geloofden jullie in wat hij zei.“ Dit deed hen echter niets, noch had het effect op hun geloof in Islam, het maakte hen juist veel sterker in hun geloof in Allah (swt). De invloed van de Boodschapper van Allah (saw) werd groter, eveneens als het verlangen van de mensen naar het luisteren naar de Koran. Het bereikte een punt waarbij zijn felste tegenstanders van de Qoeraisj zich begonnen af te vragen of waar hij (saw) toe opriep echt waar was. Dit leidde hen tot het luisteren naar de Koran in het geheim.

Aboe Soefyan ibn Harb, Aboe Djahl ‘Amr ibn Hisjaam en al Akhnas ibn Shoerayq, waren allen onbewust van elkaar dat zij heimelijk luisterden naar de Boodschapper van Allah (saw), terwijl hij aan het bidden was in zijn huis. Zij waren allen vermomd en zij kozen allen een plek om te zitten waar ze konden luisteren. Geen van hen wist waar de ander zich bevond. Allah’s Boodschapper (saw) stond regelmatig op om gedurende een groot deel van de nacht de Koran te reciteren. Ze brachten deze bewuste nacht door, aandachtig naar hem luisterend, hun gedachten waren gevangen en hun harten geraakt, totdat de ochtend aanbrak en ze allen snel weer verdwenen. Op weg naar huis ontmoetten ze elkaar per ongeluk, bekritiseerden ze elkander en zeiden ze: ”Doe dit niet nogmaals, voordat één van de oppervlakkige mensen je ziet; het zal je geloofwaardigheid verzwakken en het zal in Moehammad’s (saw) voordeel werken.” In de tweede nacht, voelden ze allen dat hun benen hen brachten naar dezelfde plek waar ze de nacht voorheen hadden doorgebracht. De drie luisterden nogmaals naar Allah’s Boodschapper (saw) die het Boek van Allah reciteerde en zoals de nacht ervoor, ontmoetten ze elkaar bij de ochtendschemering en bekritiseerden ze elkaar wederom, toch voorkwam dit niet dat ze erheen gingen voor de derde nacht. Toen ze hun zwakheid tegenover Moehammad’s (saw) Boodschap realiseerden, legden ze een eed af nooit meer terug te zullen keren. Desalniettemin resulteerde dit incident in een verandering van hun visie over wat ze hadden gehoord in de drie nachten; ze waren geagiteerd vanwege hun handelingen die tekens van zwakheid manifesteerden wat geen van hen, als leider van hun stam, zou kunnen veroorloven. Dit, zo erkenden ze, zou zich zo kunnen ontwikkelen dat het in de kaart zou spelen van Moehammad (saw) en het zou de mensen kunnen aanmoedigen om zijn Boodschap te aanvaarden.

Ondanks al de obstakels die de Qoeraisj neerlegden, lukte het de oproep om Mekka te penetreren, en de Qoeraisj raakten in paniek en vreesden het ergste wegens de verspreiding van Islam onder de Arabische stammen. Daarom intensiveerden de Qoeraisj hun gewelddadige campagne tegen Allah’s Boodschapper (saw) en zijn Sahabah. Uiteindelijk werd de situatie bijna ondragelijk en de Profeet (saw) ging naar de stad van Ta’if, zoekend naar noesrah (steun) en bescherming van Banoe Thaqif in de hoop dat zij de Islam zouden aanvaarden. Hij benaderde hen alleen, maar zij spraken hard tegen hem en behandelden hem zeer slecht. Ze trommelden hun pummels en slaven op die hem beledigden en stenen naar hem wierpen, totdat zijn hele lichaam, inclusief zijn voeten bloedden. Het lukte hem (saw) om te vluchten naar een boomgaard die behoorde tot Shabieb en Shayba, zonen van Rabi’ah. Daar zat hij, denkend aan zijn situatie en de oproep. Hij wist dat hij Mekka niet kon binnentreden zonder de bescherming van één van de leiders, hij kon ook niet teruggaan naar Ta’if na zijn slechte behandeling aldaar, en hij kon niet bij de boomgaard blijven want deze behoorde tot twee ongelovigen. Hij (saw) voelde zich erg verontrust en hij hief zijn armen op naar de lucht, treurend en smekend aan Allah (swt). In pijn en met immens vertrouwen in Allah (swt) zei hij: ”O, Allah! Ik klaag bij U over mijn zwakheid, te weinig hulpbronnen en bescheidenheid voor de mensen. O, meest Genadige! U bent de Heer van de zwakken, en U bent mijn Heer. Aan wie zou U mij toevertrouwen? Aan iemand verweg die mij zal misbruiken of aan een vijand aan wie U dominantie heeft gegeven over mij? Als U niet boos op mij bent, geef ik om niets anders. Uw gunst van mijn welzijn is genoeg voor mij. Ik zoek mijn toevlucht tot het licht van Uw aanzicht bij wie de duisternis is verlicht en de dingen van deze wereld en de volgende, rechtmatig zijn geordend, uit vrees dat Uw woede op mij afdaalt of Uw toorn mij niet verlicht maar tot mij afdaalt. Het is voor U om tevreden te zijn totdat U goed behaagd bent. Er is geen kracht en macht dan die van U.”

Vervolgens keerde hij terug naar Mekka onder de bescherming van Al Loet’im ibn ‘Adiy. De Qoeraisj namen al snel kennis van wat er was gebeurt met de Boodschapper van Allah (saw) in Ta’if, en dit zorgde ervoor dat zij de slechte behandeling van de Boodschapper (saw) voortzetten en zij verboden de mensen naar hem te luisteren. De Mekkanen lieten hem in de steek en keerden zich af van het luisteren naar zijn toespraken. Echter, hij (saw) was nooit ontmoedigd, en ging door met de mensen uit te nodigen naar de dien van Allah door zichzelf te presenteren aan de stammen gedurende de feestelijke seizoenen, hen uitnodigend tot Islam, hen vertellend dat hij een Profeet was gestuurd door Allah (swt) en hen vragend om in Hem te geloven. Maar Aboe Lahab, zijn haatvolle oom, verloor hem nooit uit het oog. Hij volgde hem overal en vertelde de mensen dat ze niet naar hem moesten luisteren, dus de mensen negeerden hem en gaven hem geen aandacht.

De Boodschapper van Allah (saw) begon opnieuw de stammen te bezoeken, hun dwalingen aan hen presenterend. Hij bezocht de stammen van Kinda, Kalb, Banoe Hanifah en Banoe ‘Aamir ibn Sa’sah. Geen van hen beantwoordde zijn oproep en ze verzetten zich bitter tegen hem. Vooral Banoe Hanifah. Wat Banoe ‘Amir betreft, zij wilden de autoriteit na hem, in ruil voor het geven van de eed van trouw. Hij (saw) antwoordde: ”Autoriteit is een kwestie die Allah plaatst waar Hij wil.”

Toen Banoe ‘Amir dit hoorden, weigerden ze ook om hem te helpen.

Zodoende wees Mekka de Islam af, net als de mensen van Ta’if en de stammen ook de oproep tot de Boodschap van Allah afwezen. Deze stammen die naar Mekka kwamen om handel te drijven leerden over de situatie van de Boodschapper van Allah (saw) en zijn isolatie, en dit zorgde ervoor dat ze zich alleen maar verder van hem gingen verwijderen, dus nam zijn isolatie toe. De oproep tot Islam werd steeds moeilijker toen de koppige Mekkaanse gemeenschap tekenen toonden van totale afwijzing, ongeloof en koppigheid. De verwachtingen voor de da'wah in Mekka werden zeer laag.

Afdrukken